Wie is wie in verhalen over de geboorte van Jezus in de Bijbel?

wie is wie in de geboorteverhalen over Jezus in de BijbelWie waren eigenlijk de personen die worden genoemd in het geboorteverhaal van Jezus in het het evangelie van Matthéüs en de vertelling over de geboorte van Jezus in het Evangelie van Lucas? De onderstaande beschrijvingen van personen zijn afkomstig uit het boek ‘Wie is wie in de Bijbel’ van Peter Calvocoressi.

Anna

Profetes die God diende door dag en nacht te vasten en te bidden. Toen Simeon in de tempel God loofde en hem dankte voor de komst van Jezus in de wereld, kwam zij erbij staan. Ook zij dankte God. Zij was de eerste die het goede nieuws van de verlossing van de mensheid in Jeruzalem verspreidde.

Elisabeth

Elisabeth was de vrouw van Zacharias en de moeder van Johannes de Doper. Terwijl Zacharias in de tempel een offer bracht, verscheen de aartsengel Gabriël aan hem. Deze beloofde hem dat hij en zijn vrouw, beiden reeds van gevorderde leeftijd, een zoon zouden krijgen, een nieuwe Elia.

Vijf maanden later verscheen de engel Gabriël aan Maria, een familielid van Elisabeth. Hij kondigde ook haar de geboorte van een kind aan, dat ze Jezis moest noemen. Maria zocht Elisabeth op en toen zij Maria’s stem hoorde, sprong haar kind op in haar schoot. Maria beantwoordde Elisabeths groet met een lofzang voor God, het Magnificat.

Toen Elisabeths zoon werd besneden, dacht iedereen dat hij de naam van zijn vader zou krijgen, maar Elisabeth verklaarde dat hij Johannes zou heten. Zacharias bevestigde dit door de naam op een lei te schrijven. Hij was sinds de aankondiging door Gabriël voor straf letterlijk met stomheid geslagen, omdat hij diens boodschap niet kon geloven.

Maria’s bezoek aan Elisabeth (Maria’s visitatie) is een voor het Nieuwe Testament karakteristieke scène waar grote gebeurtenissen plaatsvinden in huiselijke kring. Zulke scènes hebben eeuwenlang de fantasie van kinderen en kunstenaars geprikkeld. Maria’s visitatie was in de middeleeuwen een geliefd onderwerp voor beeldhouwers en schilders.

Jezus

Jezus wordt ook Christus genoemd, waarvan het woord ‘christen’ is afgeleid. De data van zijn geboorte en dood zijn onzeker. Hij werd geboren in Bethlehem in Judea tijdens het bewind van Herodes de Grote (die in 4 v. Chr. stierf), in een jaar dat in het hele Romeinse rijk een volkstelling werd gehouden. Volgens de meeste inzichten levert dit het jaar 12 v. Chr op. Dit komt overeen met een andere historische datum, namelijk het verschijnen van de komeet van Halley.

Andere gegevens die relatief zeker zijn: Jezus werd tot de dood door kruisiging veroordeeld in Jeruzalem, toen Pontius Pilatus daar stadhouder was (27 – 36 n. Chr); de kruisiging vond plaats tussen 30 en 35n. Chr.).

Maria, de moeder van Jezus en de maagdelijke verloofde van Jozef uit Nazareth in Galilea, kreeg van de aartsengel Gabriël te horen dat zij een kind zou ontvangen van de Heilige geest. Ze moest dat kind Jezus noemen. Voor de volkstelling in het Romeinse rijk moesten Jozef, een afstammeling van het koningshuis van David, naar Bethlehem. Daar kwam het kind ter wereld in een stal, omdat er in de herberg geen plaats meer was. Van Bethlehem vluchtten zij naar Egypte om te ontkomen aan Herodes, die alle pasgeborenen in Bethlehem wilde doden. Ze bleven in Egypte tot Herodes’ dood. Ten slotte keerden ze terug naar Galilea.

Over Jezus jeugd wordt weinig verteld en dat weinige wordt door de onderzoekers veelal als legendarisch beschouwd, al kunnen sommige overleveringen, zoals het bezoek aan de tempel, op waarheid berusten. Volgens dit verhaal was hij een keer door zijn ouders meegenomen naar de tempel, waar hij zo gefascineerd raakte door wat er zich daar afspeelde, dat men hem slechts met moeite mee terug naar huis kreeg.

Deze drang naar het religieuze was het eerste teken van een leven dat geheel aan religie gewijd zou zijn en dat zich met name in Galilea, maar ook in omringende gebieden en het zuidelijk gelegen Judea, zou afspelen, waar het uiteindelijk zou eindigen.

Jezus werd gedoopt door zijn neef Johannes de Doper die, slechts enkele maanden ouder dan Jezus, al bekend was vanwege zijn buitengewoon fanatieke optreden. Na zijn doop trok Jezus zich terug in de woestijn, waar hij veertig dagen bleef. In die tijd werd hij driemaal bezcht door de duivel, die hem probeerde te verleiden door hem magische krachten en heerschappij over de wereld aan te bieden.

In Galilea werd Jezus al snel bekend als rondtrekkende prediker die grote groepen mensen aantrok. Hij vormde een groep van twaalf leerlingen (discipelen) die later apostelen werden en zijn leer verder verbreidden. Het effect van zijn natuurlijke welsprekendheid werd versterkt door de genezingen en wonderen die hij verrichtte.

Vanuit Galilea reisde Jezus naar het westen, in de richting van de Fenicische steden aan de kust, en naar het oosten aan de Dekapolis (het gebied aan beide zijden van de Jordaan, ten zuiden van het meer van Galilea). Dit deed hij om zijn leer ook buiten Galilea te verbreiden, maar het kan ook zijn dat hij op die manier wilde voorkomen dat hij hetzelfde lot zou ondergaan als Johannes de Doper die door de tetrarch van Galilea onthoofd was.

De discipelen die hem het meest nabij waren, met name Petrus, zagen in hem de Messias, de beloofde verlosser, die in de naam van de ene God de macht en de voorspoed van de joden zou herstellen.

Jezus gaf toe dat hij de zoon van God was, maar beval hun daar verder over te zwijgen. De bevestiging hiervan (indien nog nodig) kregen zij, toen Jezus zich met drie van zijn leerlingen terugtrok op een afelegen plaats waar hij verheerlijkt werd. Hij verscheen hun daar als een verblindend witte gestalte, sprekend met Mozes en Elia.

Johannes de Doper

Zoon van de hoogbejaarde Zacharias en Elisabeth. Hij werd zes maanden eerder geboren dan Jezus, zijn neef. Als profeet in Judea kleedde hij zich in een mantel van kameelhaar en leefde hij van sprinkhanen en honing. Hij verkondigde de spoedige komst van de Messias en riep op tot bekering; bekeerlingen doopte hij met water.

Jezus kwam uit Galilea naar hem toe om zich te laten dopen. Johannes wilde dat eerst niet omdat hij vond dat niet hij Jezus, maar Jezus hem moest dopen. Nadat hij Judea verlaten had en ten oosten van de Jordaan was gaan preken, werd hij door Herodes Antipas, de tetrarch van Galilea, in de gevangenis gegooid. Johannes had kritiek op hem geleverd omdat hij met zijn schoonzuster Heriodias was getrouwd. Overeenkomstig de wens van zijn stiefdochter Salome liet Herodes hem onthoofden.

Johannes was zowel een exponent van zijn tijd als een unieke persoonlijkheid. Er waren in zijn tijd talrijke rondtrekkende predikers, met de wonderlijkste ideeën. Maar Johannes’ boodschap was bijzonder indringend en had iets bijzonders te bieden: de Messias zou zeer binnenkort komen. Degenen die door hem met water waren gedoopt, zouden door de Messias wordne gedoopt met de Heilige Geest.

De doop door Johannes was de eerste stap op weg naar het heil dat door de Messias zelf voleindigd zou worden. Johannes gold voor de priesters en de farizeeën als een religieuze onruststoker, voor Herodes was hij een politieke oproerkraaier.

Herodes de Grote

Vanaf 47 v.Chr. was Herodes procurator in Galilea en van 40-4 v. Chr koning van Judea. Zij vader Antipater was een Edomiet (Idumeeër) en was door Julius Ceasar aangesteld als procurator van Judea. Herodes was zich ervan bewust dat ook zijn macht en succes afhankelijk waren van de Romeinen. Hij werd een bekende figuur in de hogere kringen van Rome. Hij kende Marcus Antonius en was nauw en langdurig bevriend met Augustus.

De Romeinen benoemden hem tot koning vna Judea. Hij was via een van zijn echtgenotes verbonden met de Makkabeeën en zo kon hij aanspraak maken op de troon in Jeruzalem. Deze aanspraak werd nog versterkt doordat onder zijn vaer verzoening had plaatsgevonden tussen de Edomieten en de Israëlieten (de nakomelingen van Esau en Jakob) en het feit dat zijn familie was overgegaan tot het jodendom.

Herodes leefde ook joods; zo hield hij zich aan de joodse spijswetten en gaf hij veel geld aan de tempel. In tegenstelling tot de Makkabeeën was hij evenwel ook kosmopoliet. Onder zijn tien echtgenotes waren er verschillende van buitenlandse afkomst en met een andere religie. Hij had verscheidene zonen: sommigen van hen liet hij vermoorden.

Hij is de Herodes die de ‘wijzen uit het oosten’ doorstuurde om de pasgeboren Jezus te zoeken en die de opdracht gaf tot de kindermoord van Bethlehem, waarbij alle jongetjes onder de twee jaar werden ongebracht. Aanleiding tot dit bevel, waar alleen Matthéüs melding van maakt, was Herodes’ angst dat zich onder deze kinderen de aanstaande koning der joden zou bevinden die hem van zijn troon zou stoten.

Na Herodes’ dood hief Augustus de koningstitel op en werd het rijk verdeeld tussen de drie zonen vana Herodes: Archelaüs werd ethnarch, Herodes Antipas en Herodes Filippus werden tetrarchen. Een andere zoon, eveneens Filipps geheten, was de vader van Salome. Weer een andere zoon, Aristobulus, zette de Herodes-dynastie weer voort. Hij was de vader van Herodes Agrippa I, de laatste koning van Judea.

Jozef

Jozef was de verloofde van Maria, de moeder van Jezus. Hij was timmerman in Nazareth en stamde af van het koningshuis van David en dus, verder terug, van Abraham. Toen hij merkte dat Maria zwanger was terwijl hij nog niet met haar had geslapen, en zich afvroeg hoe hij hiermee moest omgaan, vertelde een engel hem in een droom dat de zwangerschap het werk was van de Heilige Geest.

In die tijd moest iedereen zich laten registreren ten behoeve van de belastingadministratie: dat moest in de plaats waar men oorspronkelijk vandaan kwam. Omdat hij van David afstamde, moest Jozef naar Bethlehem. Maria ging met hem mee en bracht daar Jezus ter wereld. De engel verscheen nogmaals. Nu riep hij Jozef op om met zijn gezin naar Egypte te vluchten, om te ontkomen aan het moorddadige plan van Herodes de Grote.

Toen Herodes stierf, verscheen de engel weer om te zeggen dat ze nu veilig terug konden keren. Wel was Jozef zo voorzichtig om het gebied van Herodes’ zoon Archelaüs te vermijden. Jozef stierf enige tijd voor het openbare optreden van Jezus in Galilea.

Maria

De moeder van Jezus, Maria, was verloofd met Jozef, een afstammeling van koning David en van de aartsvaders. Over haar afkomst wordt in de vier canonieke evangeliën niets vermeld. Volgens het apocriefe Proto-evangelie van Jacobus heetten haar ouders Joachim en Anna.

De aartsengel Gabriël vertelde Maria dat zij een kind zou ontvangen van de Heilige Geest, dat Jezus moest heten. In het huis van haar nicht Elisabeth, die op dat moment zwanger was van Johannes de Doper, hief zij een lofzang op God aan, het Magnificat.

Toen Jozef naar Bethlehem moest om zich te laten registreren, ging Maria met hem mee. In Bethlehem kreeg zij haar kind, in een stal, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg. Een engel had Jozef gewaarschuwd voor het moord-dadige plan van Herodes de Grote en dus vluchtten zij uit Bethlehem naar Egypte. Zij bleven in Egypte tot Herodes’ dood. Toen keerden ze terug naar Nazareth in Galilea, waar Jozef enkele dagen later stierf.

Maria was aanwezig bij de bruiloft te Kana in Galilea, maar komt verder in de evangeliën niet voor, tot aan de laatste fase van Jezus’ leven. Zij volgde haar zoon naar Jeruzalem en stond bij de kruisiging onder het kruis. Samen met de andere vrouwen vond zij het lege graf op de ochtend na de sabbat.

Vanaf het kruis droeg Jezus Johannes op om voor Maria te zorgen. Zij kwam bij hem wonen. Samen met de discipelen was zij aanwezig bij de hemelvaart. Over haar dood en haar lichamelijke ten hemelopneming staat niets in de Bijbel. Volgens een overlevering stierf zij net als Johannes in Efeze, waar haar huis nu nog steeds bezichtigd kan worden.

Quirinius

Quirinius, ook wel Quirinus of Cyrenius was volgens het evangelie van Lucas stadhouder in de Romeinse provincie Syrië tijdens de volkstelling ten tijde van Jezus geboorte. Het is mogelijk dat hij dezelfde is als Publius Quintilius Varus, de veldheer die in 9 n. Chr. al zijn troepen verloor in de slag tegen de Cherskische koning Armenius in het Teutoburgerwoud. Het was de grootste nederlaag van de Romeinen rijdens het bewind van Augustus. Of Quirinius en Quintilius Varus werkelijk dezelfde personen waren, is moeilijk vast te stellen.

Simon

Een rechtvaardig en vroom man uit Jeruzalem, die via een openbaring te horen kreeg dat het kind Jezus de Messias was. Met het kind op zijn armen loofde en dankte hij God met de woorden die sindsdien bekend zijn als het ‘Nunc dimittis’: ‘Nu laat gij, Here, uw dienstknecht gaan, in vrede, naar uw woord.’

Zacharias

Zacharias was priester en echtgenoot van Elisabeth. Zij waren beide al op leeftijd, maar hadden geen kinderen. Op een dag, toen Zacharias dienst had in de tempel, zag hij de aartsengel Gabriël rechts naast het altaar staan. Die vertelde hem dat hij en zijn vrouw een kind zouden krijgen, een nieuwe Elia.

Zacharias vroeg hem om een teken dat deze onwaarschijnlijke gebeurtenis zou bevestigen. De engel berispte hem voor zijn ongelovige houding. Zijn straf was dat hij niet meer kon spreken tot de geboorte van zijn kind. Dit kind zou Johannes de Doper zijn.

Bron: ‘Wie is wie in de Bijbel’ van Peter Calvocoressi.