Rijmende spreuken over tijd en eeuwigheid van de mysticus Angelus Silesius, voor bezinning rondom de jaarwisseling

In de meeste religies en levensbeschouwingen wordt met het begrip eeuwigheid niet een oneindige voortzetting van de tijd bedoeld, maar  juist de afwezigheid van tijd. Eeuwigheid verwijst naar een andere dimensie die we nog niet kennen, maar waar we soms wel iets van kunnen ervaren. Mystici schrijven soms dat zij de eeuwigheid hebben ervaren.

De arts, filosoof en mysticus Angelus Silesius (pseudoniem van Johannes Scheffler 1624 – 1677) schreef een verzameling verse versregels over tijd en eeuwigheid. De onderstaande rijmende spreuken van hem zijn heel geschikt om  te overdenken bij de jaarwisseling, de overgang van oud naar nieuw in het kalenderjaar.

‘t Aanschijn der aard, o ziel, verandert met de tijd,
hoe hecht gij dan zozeer aan haar begeerlijkheid?

De eeuwigheid is ons zo innig en gemeen,
hetzij dag goed of kwaad, we moeten weer daarheen.

De roos, die door haar pracht een wijle uw ogen boeit,
heeft voor Gods oog alzo van eeuwigheid gebloeid.

De tijd is hierin eed’ler dan de eeuwigheid,
dat d’eeuwigheid voor mij zich in de tijd verbreidt.

Een hart, dat zich verliest in stof en plaats en tijd,
beseft nog niet ten volle zijn onmeetlijkheid.

Spreuk over tijd plaats en eeuwigheid

Er is geen voor en na; wat morgen zal geschien,
heeft God van eeuwigheid reeds wezenlijk gezien.

Gij zegt: verplaats u uit de tijd naar d’eeuwigheid!
Is tussen tijd en eeuwigheid dan onderscheid?

Gijzelf vormt slechts de tijd door ‘t uurwerk van de zinnen;
zet gij de “onrust” vast, zo is de tijd van binnen.

Hier vaart mijn ziel naar God op golven van de tijd,
daar ben ikzelf de zee der eeuw’ge zaligheid.

Hoe verder wij de zee van eeuwigheid bevaren,
hoe ondoorgrond’lijker en donkerder haar baren.

Ikzelf ben d’eeuwigheid, als ik de tijd vergeet,
als ik om God, en God om mij wordt tot een kleed.

Men spreekt van tijd en plaats, van nu en eeuwigheid.
Maar wat is tijd en plaats en nu en eeuwigheid?

Mens, zo g’uw geest verheft hoog boven plaats en tijd,
zo kan uw gans bestaan opgaan in d’eeuwigheid.

Mijn vriend, zolang gij nog iets geeft om plaats en tijd,
krijgt gij geen blik op God en op Zijn heerlijkheid.

Tijd is als d’eeuwigheid, en eeuwigheid als de tijd;
gij zijt het zelf, mijn vriend, die beide onderscheidt.

Twee ogen heeft de mens, ‘t één richt zich op de tijd,
het andere schouwt omhoog in ‘t diep der eeuwigheid.

Uw ziel moet zuiver zijn en leven uit het Nu;
want dan rust God in u en ziet zichzelf in u.

Vraagt ge in welk jaar het groot heelal ontstond?
Het was het eeuwig jaar van aller jaren grond.

Wanneer gij d’eeuwigheid belichaamt in de tijd,
zo weet gij slechts van pijn en niet van zaligheid.

Zie, dat ge dit doorgrondt: bij God is d’eeuwigheid,
bij duiv’len in de hel is slechts eeuw’ge tijd.

Angelus Silesius spreuk over tijd en eeuwigheid 570