Nico ter Linden over mogelijke beweegredenen van de evangelist Lucas voor de geboorteverhalen van Johannes en Jezus in ‘Het verhaal gaat’

De totstandkoming van de ouverture van Lucas volgens ds Nico ter Linden.027

Lucas zit aan zijn schrijftafel. Hij heeft zojuist de laatste woorden van zijn evangelie neergeschreven: En het geschiedde, terwijl Jezus hen zegende, dat hij ten hemel werd opgenomen. Zij bogen zich voor hem neer en keerden terug naar Jeruzalem, met grote blijdschap, en zij waren voortdurend in de tempel, zegenende deze God.

Een mooi slot, vindt Lucas. Over het begin is hij niet zo tevreden. Net als Marcus, wiens evangelie naast hem op tafel ligt, is hij begonnen met de doop van Jezus door Johannes de Doper, maar eigenlijk zou daar nog iets vóór moeten, een ouverture, waarin alle thema’s van zijn boek al even aan de orde komen.

Daarin zou hij dan, in het kort, ook iets over de voorgeschiedenis van de Messias moeten vertellen, want Jezus kwam natuurlijk niet zomaar uit de lucht vallen. Een reeks van koningen, priesters en profeten is hem voorgegaan. Lucas heeft in zijn evangelie voortdurend op die oude verhalen gerijmd, maar in een proloog zou hij daar nog duidelijker naar kunnen verwijzen.

Met name voor de Grieken die zijn verhaal zullen lezen, is het goed hen van meet af aan in te wijden in de woordenwereld van Israël. Niet voor niets liggen ook de Thora en de Profeten op zijn schrijftafel. Lucas heeft niet alleen zijn licht opgestoken bij de eerste volgelingen van Jezus, hij heeft zijn oor ook te luisteren gelegd bij de aartsvaders en profeten die Jezus zijn voorgegaan.

Lucas ziet een denkbeeldige lezer voor zich. Misschien is het een goed idee hem een naam te geven : Theofilus, Vriend van God, de Griekse naam voor een vriend van de Heer. Want voor jood en voor heiden heeft hij zijn verhaal zo zorgvuldig mogelijk op schrift gesteld. ‘Waar je ook woont en wie je ook bent, wanneer je de God van Israël op het spoor wilt komen, is dit boek voor jou geschreven.’

Waar zal het in die ouverture nog meer over moeten gaan? Niet ongebruikelijk in die dagen is het om een bijzonder mens een bijzondere geboorte toe te dichten. In de kleine boreling zie je dan al de trekken van de grote gestalte waartoe hij zal uitgroeien. De held ligt nog in de wieg, maar je kunt al zien waartoe hij in de wieg is gelegd. Als Lucas nu eens een geboorteverhaal over Jezus schreef.

Hij kan dat op twee manieren doen. Klassiek zou zijn om Jezus met een vertrouwd beeld uit de joodse verhaaltraditie uit een onvruchtbare vrouw geboren te laten worden. Sarah, Rebekka, Rachel, de aartsmoeders van het godsvolk, zij waren onvruchtbaar, maar door Gods genade baarden zij niettemin zonen.

En steeds wanneer Israëls geschiedenis scharnierde, was er weer sprake van een wonderbare geboorte: in de tijd van de richteren werd Simson uit een onvruchtbare geboren, en het was de onvruchtbare Hanna die, toen de tijd van de koningen was gekomen, aan Samuël het leven schonk. Zelf kan een mens de verlossing niet bewerken, het heil komt van gene zijde, het wordt je zomaar in de schoot geworpen.

Een andere mogelijkheid is om Jezus, met het beeld van de Griekse cultuur van die dagen, uit een maagd het levenslicht te laten aanschouwen; van vele koningen en krijgshelden gaat het verhaal dat zij made in heaven zijn, zonen Gods. Gelukkig hoeft Lucas niet te kiezen. Hij kan Jezus uit een maagd geboren laten worden en een onvruchtbare vrouw de moeder van Johannes de Doper, zijn voorloper, laten zijn.

Met deze Johannes de Doper moet zijn verhaal beginnen. Waar? Niet in Bethlehem, de stad waar David, Israëls grote koning, het levenslicht aanschouwde, want daar moet natuurlijk straks ook ‘Davids zoon’ geboren worden. In Jeruzalem? Ja, dat zou mooi zijn in de tempel, waar zijn evangelie ook eindigt. Maar de Doper was een man uit het bergland van Juda, geen zoon van Jeruzalem.

Als Lucas nu eens de vader van de profeet een priester liet zijn, bijvoorbeeld uit de afdeling van Abia, die eenmaal in de zoveel maanden in de tempel de priesterlijke taken moet vervullen. Dan kan een engel daar van godswege de geboorte van Johannes aanzeggen. En die engel moet Gabriël zijn, Man van God, die van oudsher in Israël als de bode van de eindtijd wordt gezien, de tijd waarin de grote beslissingen vallen’.

Hoe zal hij de vader van Johannes noemen? Zacharias lijkt een toepasselijke naam, God gedenkt. Want dat is het toch wat Gabriël in Jeruzalem komt melden, dat de eeuwige het werk van zijn handen niet heeft laten varen en dat hij naar het onvruchtbare Israël heeft omgezien.

En als Lucas de moeder van Johannes ook uit een priesterlijk geslacht laat voortkomen, en wel uit het huis van de hogepriester Aäron, heeft hij meteen een mooie naam: Elisabeth, naar Aärons vrouw Eliseba, God heeft een eed gezworen. En die Elisabeth moet familie van Maria zijn, de moeder van Jezus, want hun zonen waren verwante zielen, va meet af aan.

De ene gedachte na de andere valt Lucas in, het ene woord lokt het andere uit. Die valse koning Herodes zal hij in de ouverture ook even moeten noemen, in contrast met de ware koning die na hem komt , maar verder moet alle aandacht naar Elisabeth en Zacharias gaan.

Lucas zie ze voor zich: twee oude mensen, ze lijken als twee druppels water op Abraham en Sarah, Elisabeth even droevig gestemd als de onvruchtbare Sarah. Ieder kind dat in Israël wordt geboren, brengt de komst van de komst van de Messias dichterbij; Elisabeths schoot bleef gesloten, zij werd versmaad. Wat hadden zij en Zacharias vurig om een kind gebeden, maar het was alsof de Eeuwige tegen hen zei: ik heb júllie niet nodig voor de komst van het godsrijk, jullie zullen daarin niet vruchtbaar zijn.

Lucas neemt zijn pen op. Hij zal met Zacharias beginnen. ‘Wij zijn aan de beurt om dienst te doen in Jeruzalem,’ zegt hij tegen Elisabeth, ‘over een week ben ik weer terug. Misschien maak ik het wel voor het laats mee. Nee, ik ben niet somber, maar we worden oud, vrouw, we worden oud.’ Dat zullen voorlopig de laatste woorden zijn die Elisabeth haar man hoort zeggen.

Priester zijn, dat is God vertegenwoordigen bij de mensen en de mensen vertegenwoordigen bij God. Zacharias is vertrouwd met de geen en de tempelzangen, de rituelen, de traditie. Niet dat het nog veel in hem losmaakt, maar hij doet zijn werk, zijn priesterplicht, alles keurig zoals voorgeschreven.

Het is wel jammer dat, zoals Elisabeth de vreugde van het moederschap is ontzegd, Zacharias het hoogtepunt van het priesterschap nooit heeft mogen beleven: het grote moment dat jij door het lot wordt aangewezen om in het Heilige het reukoffer te ontsteken, de gebeden van de kinderen Israëls voor Gods aangezicht te brengen en dan terug te keren naar de Voorhof om het volk de zegen te geven. Maar lang niet iedere priester viel in zijn leven die eer te beurt. De oude Zacharias durfde niet meer te hopen dat er ooit nog van kwam, een ander zou wel weer de gelukkige zijn. Verdriet vervulde zijn hart, net wanneer hij ergens een vader zag met zijn zoon.

Het lot werd geworpen: ‘Zacharias!’ Hoorde hij het goed? God gedenkt! Zacharias kon zijn oren niet geloven. Het wierookvat trilde aan de ketting in zijn handen toen hij, door twee anderen geflankeerd, de trappen besteeg. Voor het Heilige bleven zij staan. Alleen Zacharias ging verder, zoals hij dat zovele malen een ander had zien doen.

Hij ontstak het vuur op het altaar, zwaaide de wierook naar het voorhangsel van het Heilige der heiligen en bad de oude gebeden: ‘O God, dat gij de hemelen scheurde, dat gij uit den hoge nederdaalde, scheur toch de wolken weg en kom, breek door de blinde muur en kom!’ Op hetzelfde moment scheurden de hemelen , de Heer verscheen, de engel Gabriël daalde neer. ‘Vreest niet, Zacharias, Elisabeth zal een zoon baren en jij zult zijn naam Johannes roepen, God is genadig.’

Lucas legt zijn pen even neer. Het begin van zijn verhaal is er. Hoe nu verder? Hoe ging het verder met Abraham en Sarah, toen die hadden gehoord dat zij, in hun hoge ouderdom, een zoon zouden krijgen?

Abraham had het in blijde verwondering geloofd, maar Sarah had schamper gelachen. Als Lucas de rollen nu eens omdraaide en Elisabeth de rol van de gelovige gaf en Zacharias die van de ongelovige? ‘s Lands priesters zouden zich in Jezus’ dagen niet van hun beste zijde laten zien en vrouwen stonden bij Jezus in hoge ere.

‘Johannes is zijn naam,’ zei de engel ‘En velen zulle zich over zijn geboorte verblijden. Groot zal hij zijn voor ‘s Heren aangezicht. Wijn en sterke drank zal hij niet drinken, hij zal vol zijn van heilige geest. Hij zal de kinderen Israëls terugvoeren naar de Heer hun God.‘

Zacharias kon een lach niet onderdrukken. ‘Waaraan zal ik dit weten? Mijn vrouw is hoogbejaard, ik ben een oude man.’

‘Maar ik ben Gabriël,’ zei Gabriël ‘God heeft mij gezonden. Jij bent al net als al die andere priesters, je lippen prevelen gebeden waarin je met je hart niet meer gelooft Daarom zul je voorlopig moeten zwijgen, je zult niet kunnen spreken totdat geschieden zal wat ik je heb gezegd. ‘

Buiten stond het volk te wachten tot Zacharias terug zou komen om hun de zegen te geven. Wat bleef hij lang weg. Eindelijk kwam de oude man weer tevoorschijn, zijn tred was onzeker, zijn blik verward. Zacharias hief zijn handen omhoog, opende zijn mond, maar kon geen woord uitbrengen, hij was met stomheid geslagen. Vertwijfeld zag hij het volk aan, wendde zijn blik omhoog als zocht hij steun bij Gods heilige engelen. Weer zag hij de mensen aan, weer keek hij omhoog.

Het volk wachtte maar het wachtte tevergeefs. ‘Zacharias is onwel geworden,’ opperde er een. ‘Misschien heeft hij het Heilige wel in een gezicht gezien,’ veronderstelde een ander. In verwarring keerden zij huiswaarts; zwijgend zocht Zacharias het priesterkwartier weer op. Daar bleef hij tot de dagen van zijn dienst vervuld waren.

Elisabeth werd zwanger. Een diepe vreugde was het, een genade even groot als onverwacht, die zij in eenzaamheid wilde beleven. God had haar aangezien, haar smaad te midden van de mensen weggenomen. ‘God is genadig,’ zei ze mijmerend, terwijl ze met haar rimpelige handen kleine kleertjes maakte. Vijf maanden lang hield zij zich in haar huis verborgen. Terwijl het kind onzichtbaar groeide in haar schoot, kon ook haar ziel stilletjes groeien.

‘Ik dacht dat je boek al af was,’ zei Lucas’ vrouw.

‘Nee,‘ zei Lucas, ‘ik heb bedacht dat er nog een paar verhalen vóór moesten.’

‘Lukt het een beetje?‘ vroeg ze.

‘Het begin is er,‘ zei Lucas. ‘Zal ik het je voorlezen?‘

Bron: Het verhaal gaat, deel 6 van Nico ter Linden