Het Evangelie van de Heilige Twaalven beschrijft het kerstverhaal: de geboorte van Jezus tussen dieren in een grot in Betlehem

De geboorte van Jezus, de Christus, geschiedde op deze wijze: Het gebeurde in die dagen, dat er van keizer Augustus een bevel uitging, dat de gehele wereld beschreven moest worden. En het gehele volk van Syrië maakte zich op om beschreven te worden, een ieder naar zijn eigen stad. En het was midden in de winter.

En ook Jozef en Maria gingen op van Galiléa uit de stad Nazaret in Judea, naar de stad van David, die Betlehem genoemd wordt (omdat zij uit het huis en het geslacht van David waren), om beschreven te worden met Maria, de aan hem uitgehuwelijkte vrouw die zwanger was.

En zo kwam het, terwijl zij daar waren, dat de dagen vervuld waren, dat zij baren zou. En zij baarde haar eerstgeborene in een grot, en wikkelde hem in doeken en legde hem in een voederbak die in de grot was, omdat er voor hen in de herberg geen plaats was. En ziet, de grot werd vervuld van licht, stralend als de zon in volle pracht.

En in diezelfde grot bevonden zich een os, een paard, een ezel en een schaap, en onder de voederbak was een poes met haar jongen. En boven hun hoofden waren duiven en ieder dier had zijn gezel naar zijn aard, het mannetje met het vrouwtje.

Zo geschiedde het dus dat Hij geboren werd te midden van de dieren die Hij, door de mensen uit hun onwetendheid en zelfzucht te verlossen, zou verlossen uit hun lijden door het openbaar worden van de zoons en dochters van God.

En daar waren in dezelfde landstreek herders, die in het veld vertoefden om ‘s nachts over hun kudde de wacht te houden. En toen zij kwamen daalde een engel van God op hen neer en de heerlijkheid van de Allerhoogste omringde hen en zij vreesden zeer.

En de engel zei tot hen: ‘Vreest niet, ik breng u een blijde boodschap, bestemd voor de gehele wereld, want in de stad van David is nu geboren een Heiland, die is Christus, de Heer. En dit zal u tot een teken zijn: u zult het kind vinden dat in doeken gewonden in een voederbak ligt.’

En plotseling was er met de engelen een menigte van hemelse scharen, die God loofden en zeiden: ‘Ere zij God in de Hoge en vrede op aarde voor allen, die van goede wil zijn.’

En het geschiedde, toen de engelen weer in de hemel verdwenen waren, dat de herders tot elkaar zeiden: ‘Laat ons nu naar Betlehem gaan en zien wat er gebeurd is, hetgeen onze God ons bekend gemaakt heeft.’

En zij gingen haastig en vonden Maria en Jozef in de grot, en zagen het kind liggen in de voederbak. En toen zij deze dingen gezien hadden, verspreidden zij de woorden, die hun over dit kind gezegd waren.

En allen die het hoorden verwonderden zich over alles, wat de herders hun gezegd hadden, maar Maria bewaarde en overpeinsde al deze dingen in haar hart. En de herders keerden terug, God lovende en prijzende voor alle dingen, die zij gehoord en gezien hadden.

En toen acht dagen voorbij waren en het kind besneden werd, werd hij genoemd Jezus-Maria, zoals de engel gezegd had, voordat hij verwekt was. En toen de dagen van haar reiniging, volgens de wet van Mozes, voorbij waren, brachten zij het kind naar Jeruzalem om het God aan te bieden. (Zoals geschreven is in de wet van Mozes, al het eerstgeborene van het mannelijk geslacht zal heilig heten voor de Heer).

En ziet, daar was een man in Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom en wachtte op de vertroosting van Israël; en de Heilige Geest was op hem. En hem was geopenbaard, dat hij de dood niet zou zien, voordat hij de Christus gezien zou hebben.

En hij kwam door de Geest gedreven naar de tempel; en toen de ouders het kind Jezus binnen brachten, om voor Hem volgens het gebruik van de wet te handelen, zag hij het kind als een zuil van licht.

Toen nam hij het in zijn armen, dankte God en zei: ‘Laat uw dienstknecht in vrede heengaan, volgens uw woord. Want mijn ogen hebben uw heil gezien, hetgeen Gij bereid hebt voor het aangezicht van een ieder; een Licht om de heidenen te verlichten en de glorie van uw volk Israël te zijn.’

En zijn ouders verwonderden zich over alles wat over Hem gesproken werd. En Simeon zegende hen en zei tot zijn moeder Maria: ‘Voorwaar, dit kind is gezet tot een val en wederopstanding van velen in Israël en tot een teken, dat weersproken zal worden (ja, ook door uw ziel zal een zwaard gaan), opdat de gedachten van vele harten openbaar worden.’

En daar was een zekere Anna, een profetes, de dochter van Fanuël, van de stam Aser, die zeer oud was en nimmer de tempel verliet, maar dag en nacht God diende met vasten en bidden. En zij kwam op dat ogenblik binnen, dankte God en sprak over Hem tot allen, die in Jeruzalem naar verlossing uitzagen. En toen zij alle dingen volgens de eisen van de wet verricht hadden, keerden zij terug naar Galiléa, naar hun eigen stad Nazaret.

Toen nu Jezus te Bethlehem in Judéa geboren was, ten dage dat Heródes koning was, zie, daar kwamen enkele magiërs uit het Oosten naar Jeruzalem, die zich gereinigd hadden, geen vlees aten noch sterke drank dronken, opdat zij de Christus die zij zochten, vinden mochten. En zij zeiden ’Waar is de koning van de joden geboren? Want in het Oosten hebben wij zijn ster gezien en zijn gekomen om hem te aanbidden’.

Toen koning Herodes dit hoorde, werd hij ongerust en geheel Jeruzalem met hem. En toen hij alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen verzameld had, vroeg hij hun waar de Christus geboren zou worden. En zij zeiden tot hem: In Betlehem in Judéa; want aldus is door de profeet geschreven: En gij Betlehem, in het land van Judéa, zijt niet de geringste onder de vorsten van Juda, want uit u zal een heerser voortkomen, die mijn volk Israël leiden zal.’

Toen riep Herodes de magiërs heimelijk bij zich en vroeg nauwkeurig na, wanneer de ster verschenen was. En hij zond hen naar Bethlehem en zei:  ‘Gaat en zoekt ijverig naar het kind en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij, opdat ik ook kan gaan om het te aanbidden.’

Toen zij de koning gehoord hadden, vertrokken zij; en zie, de ster, die de magiërs van het Oosten gezien hadden, en de engel van de ster gingen voor hen uit, tot zij kwamen en stil stonden boven de plaats, waar het jonge kind was. En de ster straalde met zes stralen.

En toen zij hun weg vervolgden met hun kamelen en ezels, beladen met geschenken en ijverig de hemel afspeurden om door de ster het kind te vinden, vergaten zij even hun vermoeide dieren, die de last en de hitte van de dag verdragen hadden, en dorstig en uitgeput waren, en de ster werd voor hun ogen verborgen.

Tevergeefs stonden zij naar de hemel te staren en de een keek de ander bezorgd aan. Toen dachten zij aan hun kamelen en ezels, en haastten zich deze hun lasten af te nemen, zodat zij konden rusten.

Nu was er bij Betlehem een bron langs de weg. En toen zij afdaalden om water voor hun dieren te putten, zie, daar verscheen hun de verloren ster, die zich in het stille water weerspiegelde. En toen zij haar zagen, verheugden zij zich met grote vreugde. En zij loofden God, die hun barmhartigheid had getoond, zoals zij barmhartig waren geweest voor hun dorstige dieren.

En toen zij het huis binnengegaan waren, zagen zij het jonge kind met zijn moeder Maria, en zij knielden neer en aanbaden het. En toen zij hun schatten geopend hadden, gaven zij hem geschenken: goud, wierook en mirre.

En zij werden door God in een droom gewaarschuwd niet naar Heródes terug te keren. Daarom vertrokken zij langs een andere weg naar hun land. En zij ontstaken een vuur, zoals hun gewoonte was, en aanbaden God in de vlam.

En toen zij vertrokken waren, zie, een engel van God verscheen aan Jozef in een droom, en zei: ‘Sta op, en neem het jonge kind en zijn moeder,en vlucht naar Egypte, en blijf daar, totdat ik het u zeggen zal, want Heródes zal het kind zoeken te doden.‘

En toen hij opstond, nam hij het jonge kind en zijn moeder tot zich in de nacht, en zij vertrokken naar Egypte en bleven daar ongeveer zeven jaren tot de dood van Heródes; opdat vervuld zou worden, hetgeen God door de profeet gesproken had: ‘Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen.’

Ook Elisabet nam, toen zij dit hoorde, haar zoon en ging de bergen in en verborg hem. En Heródes zond zijn dienaren tot Zacharias in de tempel en zij zeiden: ‘Waar is uw kind? En hij antwoordde: ‘Ik ben een dienstknecht Gods en ben voortdurend in de tempel. Ik weet het niet.‘

En hij zond hen opnieuw, en zij vroegen:  ‘Zeg ons, waar uw zoon is. Weet u niet, dat uw leven in onze handen is? En Zacharias antwoordde: ‘God is getuige, indien u mijn bloed vergiet, God zal mijn geest ontvangen, want u vergiet het bloed van een onschuldige’.

En zij doodden Zacharias in de tempel tussen de heilige plaats en het altaar; en het volk wist het, want er was een stem gehoord, die zei: ‘Zacharias is gedood en zijn bloed zal niet uitgewist worden totdat de wreker zal komen. En na enige tijd wierpen de priesters het lot, en het lot viel op Simeon en hij nam zijn plaats in.

Toen nu Heródes bemerkte, dat hij door de wijzen bedrogen was, werd hij zeer vertoornd en zond zijn dienaren uit, en liet in Bethlehem en omstreken alle kinderen van twee jaar oud en daaronder doden, naar de tijd, die hij nauwkeurig bij de wijzen onderzocht had.

Toen werd vervuld hetgeen gesproken was door de profeet Jeremia, zeggende: ‘In Rama werd een stem gehoord, geweeklaag, en geween en grote rouw. Rachel beweende haar kinderen en wilde zich niet laten vertroosten, omdat zij niet meer zijn.’

Maar toen Heródes gestorven was, zie, een engel van God verscheen in een droom aan Jozef in Egypte, en zei: ‘Sta op en neem het jonge kind en zijn moeder, en keer terug naar het land Israël, want zij zijn dood, die het jonge kind naar het leven stonden.’

En hij stond op en nam het kind en zijn moeder tot zich, en kwam in Israël. En zij woonden in de stad Nazaret genaamd, en hij werd een Nazaréner genoemd.

Bron: Hoofdstukken 4 en 5 van Het Evangelie van de Heilige Twaalven