Het apocriefe Proto-evangelie van Jakobus over de geboorte van Jezus en Catharijneconvent kerst schilderijen

Onder de christenen van de eerste eeuwen was het ‘apocriefe’ Evangelie over de geboorte van Maria heel populair. Dit geschrift staat ook bekend als het proto-evangelie van Jakobus, die de zoon van Jozef zou zijn geweest. Het voorvoegsel ‘proto’ geeft aan dat dit evangelie vooraf gaat aan het ‘werkelijke’ evangelie. Het gaat niet verder dan de beschrijving van de geboorte van Jezus, de verering door de wijzen, de kindermoord en de moord op Zacharias.  De aanbidding door de herders ontbreekt.

Door herhaald kopiëren is de oorspronkelijke tekst behoorlijk veranderd. Mede daarom is dit evangelie, dat naast het beroemde kerstverhaal ook de geboorte en de jeugd van Maria beschrijft, in de vierde eeuw als apocrief verklaart. Het is dus geen boek uit de Bijbel. Hoogstwaarschijnlijk is het geen historisch verhaal. Veel nadruk wordt gelegd op de maagdelijke geboorte van Jezus.

De Apocriefen van het Nieuwe Testament 570Hieronder volgt de tekst vanaf de aanzegging aan Maria, de moeder van Jezus. Het is afkomstig uit het boek ‘Apocriefen uit het Nieuwe Testament’, vertaalt, ingeleid en toegelicht onder eindredactie van A.F. J. Klein en uitgegeven door Kok in Kampen. De getoonde kerst-schilderijen zijn te zien in het museum Catharijneconvent in Utrecht.

De Apocriefen van het Nieuwe Testament 570
Maria nam de kruik en ging buiten water putten. En zie, er klonk een stem die zei: “Wees gegroet, begenadigde, de Heer is met u, gezegend zijt gij onder de vrouwen.” En zij keek om zich heen, naar rechts en naar links, om te zien waar deze stem vandaan kwam. En een huivering voer door haar heen. Ze ging naar binnen en zette de kruik neer. Daarna nam zij het purper, ging op haar stoel zitten en begon te spinnen.

De Apocriefen van het Nieuwe Testament 570

En zie, plotseling stond er een engel van de Heer voor haar, die sprak: “Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden voor de Almachtige en gij zult uit zijn woord zwanger worden.” Toen Maria deze woorden hoorde begon zij bij zichzelf te twijfelen, denkend: “Zal ik dan zwanger worden van de Heer, de levende God, en zal ik dan baren zoals alle vrouwen baren?”

11 annunciatie engel Gabriël verschijnt aan Maria William Hole aquarelMaar de engel van de Heer zei: “Zo niet, Maria, want kracht van de Heer zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige dat uit u geboren wordt Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. En gij zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal zijn volk redden van hun zonden.” En Maria zei: “Zie, de dienares van de Heer staat voor Hem; mij geschiede naar uw woord.”

En zij bewerkte het purper en het scharlaken en bracht het naar de priester. En de priester zegende haar en zei: “Maria, de Here God heeft uw naam groot gemaakt en gij zult gezegend zijn onder alle geslachten der aarde.” En Maria was erg verheugd en ging naar Elisabet, haar bloedverwante. Zij klopte op de deur en toen Elisabet het hoorde wierp zij het scharlaken weg, liep vlug naar de deur en deed hem open.

De Apocriefen van het Nieuwe Testament 570

En toen zij Maria zag zegende zij haar met de woorden: “Waaraan heb ik dit te danken, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt? Want zie, het kind in mij sprong op en zegende u.” Maar Maria was de geheimenissen, waarover de engel Gabriël tot haar gesproken had, vergeten en sloeg haar ogen op naar de hemel en zei: “Wie ben ik, Heer, dat alle geslachten der aarde mij zegenen?”

En zij bleef drie maanden bij Elisabet. Van dag tot dag nam haar schoot in omvang toe en o­mdat Maria bang werd ging zij terug naar huis en verborg zich voor de kinderen van Israël. Zij was zestien jaar oud toen deze mysterievolle dingen gebeurden.

De Apocriefen van het Nieuwe Testament 570

Zo werd het voor haar de zesde maand en zie, Jozef keerde terug van de huizen die hij gebouwd had en toen hij zijn huis binnenging bemerkte hij dat zij zwanger was. En hij sloeg zich voor het hoofd, wierp zich op het rouwkleed op de grond, weende bitter en zei: “ Met welke ogen moet ik opzien naar de Heer, mijn God? En wat moet ik bidden vanwege dit meisje? Want als maagd heb ik haar uit de tempel van de Heer, mijn God, ontvangen en ik heb haar niet beschermd. Wie heeft mij bedrogen? Wie heeft deze zonde in mijn huis begaan en haar onteerd? Heeft zich bij mij soms de geschiedenis van Adam herhaald? Want zoals de slang kwam en Eva alleen aantrof en haar verleidde op het ogenblik dat Adam God prees, zo is het ook bij mij gebeurd.”

En Jozef stond op van het rouwkleed, riep Maria en zei tegen haar: “Jij die Gods lievelingskind was, waarom heb je dit gedaan? Ben je de Heer, je God, vergeten? Waarom heb je je vernederd, jij die in het Allerheiligste bent opgevoed en voedsel kreeg uit de hand van een engel?”

Maar zij huilde bitter en zei: “Ik ben rein en ik heb geen gemeenschap met een man.” En Jozef zei tot haar: “En het kind in je, waar komt dat dan vandaan?” Maar Maria antwoordde: “Zo waar de Heer, mijn God, leeft, ik weet niet waar het vandaan komt.”

En Jozef, die erg bang geworden was, liet haar met rust en vroeg zich af wat hij met haar zou doen. Hij dacht: “Als ik haar zonde verberg handel ik in strijd met de wet van de Heer. Maar als ik haar aanbreng bij de kinderen van Israël vrees ik dat het kind in haar van een engel zou kunnen zijn, en dan zou ik zijn als iemand die een onschuldige overlevert aan een doodvonnis. Wat moet ik dan met haar doen? Ik zal haar in het geheim wegsturen.”

En de nacht kwam over hem. En zie, een engel van de Heer verschijnt hem in de droom en zegt: “Vrees niet vanwege dit meisje, want wat in haar is komt van de Heilige Geest. Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal zijn volk redden van hun zonden.”

En Jozef stond op uit zijn slaap, en prees de God van Israël, die hem deze genade bewezen had, en hij hield haar onder zijn hoede.

En de schrifgeleerde Annas kwam bij hem en zei: “Jozef, waarom zijt gij niet op onze vergadering verschenen?”

En Jozef antwoordde: “Ik was moe van de reis en heb de eerste dag uitgerust.” En Annas keerde zich om en zag dat Maria zwanger was. En hij ging haastig naar de priester en zei tot hem: “Jozef, voor wie gij instaat, heeft ernstig tegen de wet gezondigd.”

En de priester zei: “Hoezo?” En hij zei: “De maagd die hij uit de tempel van de Heer ontvangen had heeft hij onteerd en hij heeft onwettig omgang met haar gehad zonder het aan de kinderen van Israël bekend te maken. En de priester vroeg: “Heeft Jozef dat werkelijk gedaan?” Daarop zei de schriftgeleerde Annas: “Stuur dienaren en gij zult merken dat de maagd zwanger geworden is.” En de dienaren vertrokken en vonden haar zoals hij gezegd had en leidden haar met Jozef voor het gerecht.

En de priester sprak: “Maria, waarom hebt gij dat gedaan? Waarom hebt gij u vernederd en zijt gij de Heer, uw God, vergeten? Gij, die in het Allerheiligste zijt opgevoed en voedsel ontving uit de hand van een engel en lofzangen gehoord hebt en vóór Hem hebt gedanst? Waarom hebt gij dat gedaan?” Maar zij huilde bitter en zei: “Zo waar de Heer, mijn God, leeft, ik ben rein voor Hem en ik heb geen gemeenschap met een man.”

Nu sprak de priester tot Jozef: “Waarom hebt gij dat gedaan?” En Jozef antwoordde: “Zo waar de Heer, mijn God, leeft, ik ben o­nschuldig tegenover haar.” Daarop zei de priester: “Leg geen vals getuigenis af, maar spreek de waarheid. Gij hebt o­nwettig omgang met haar gehad zonder het aan de kinderen van Israël bekend te maken en gij hebt uw hoofd niet gebogen o­nder de sterke hand, opdat uw kinderen gezegend zouden worden.”

En Jozef zweeg.

De priester zei: “ Geef de maagd  die gij uit de tempel van de Heer ontvangen hebt terug.” En Jozef barstte in tranen uit. Daarop zei de priester: “Ik zal u het ‘testwater’ van de Heer te drinken geven en dat zal uw zonden voor uw ogen openbaar maken.”

En nadat de priester het water genomen had gaf hij het Jozef te drinken en stuurde hem de bergen in, maar hij kwam welbehouden terug. Ook Maria gaf hij het te drinken en stuurde hij de bergen in en ook zij kwam welbehouden terug.

En het hele volk verwonderde zich dat bij hen geen zonde geopenbaard had. En de priester zei: “Nu de Heer God uw zonde niet aan het licht gebracht heeft wil ook ik u niet veroordelen.” En hij liet hen gaan. En Jozef nam Maria tot zich en keerde naar zijn huis terug, terwijl hij vol vreugde de God van Israël verheerlijkte.

En door keizer Augustus werd een bevel uitgevaardigd, dat alle inwoners van Bethlehem in Judea zich moesten laten inschrijven. En Jozef dacht: “Ik zal mijn zonen laten inschrijven, maar wat moet ik met dit meisje doen? Hoe moet ik haar laten inschrijven? Als mijn vrouw? Daarvoor schaam ik mij. Misschien als mijn dochter? Maar alle kinderen van Israël weten dat zij mijn dochter niet is! Op de dag van de Heer zelf zal blijken wat zijn wil is.”

En hij zadelde zijn ezel en zette Maria erop. Zijn zoon leidde het dier en Jozef volgde. Toen zij tot op drie mijl genaderd waren keerde Jozef zich om en zag dat zij bedroefd was en dacht: “Misschien doet het kind haar pijn.” En Jozef keerde zich een tweede maal om en zag dat zij lachte. En hij zei tot haar: “Maria, wat heb je dat ik je nu eens zie lachen en dan weer somber kijken?”

En Maria antwoordde: “Het komt omdat mijn ogen twee volken zien, een dat klaagt en een dat vrolijk is en juicht.” En toen zij op de helft waren zei Maria tot hem: “Jozef, til mij van de ezel af, want het kind in mij benauwt mij en wil te voorschijn komen.” En hij tilde haar van de ezel en zei tot haar: “Waar zal ik je naar toe brengen om je schaamte te verbergen? Want dit is een onherbergzame streek.”

De Apocriefen van het Nieuwe Testament 570

En hij vond daar een grot en bracht haar naar binnen. En hij liet zijn zonen bij haar achter en ging een Hebreeuwse vroedvrouw zoeken in de omgeving van Betlehem. En ik, Jozef, liep rond en liep niet rond, en ik keek omhoog naar het firmament en ik zag dat het stilstond en dat de vogels des hemels niet bewogen, en ik keek naar de aarde en ik zag een schotel staan en arbeiders eromheen liggen met hun handen in de schotel.

En zij die bezig waren te kauwen kauwden niet en zij die (voedsel) oppakten namen niets op en zij die iets naar hun mond brachten brachten niets naar hun mond, maar allen hadden hun blik naar omhoog gericht.

En zie, er werden schapen voortgedreven en zij kwamen niet vooruit, maar bleven stilstaan, en de herder hief zijn hand op om ze te slaan met zijn staf, maar de hand bleef opgeheven. En ik keek naar de loop van de rivier en ik zag de geitenbokjes met hun bek boven het water zonder dat zij dronken.

Toen raakte alles op slag weer in beweging.

 En zie, er daalde een vrouw van de berg af die tot mij sprak: “Man, waar gaat gij naar toe?” Ik antwoordde: “Ik zoek een Hebreeuwse vroedvrouw.”

Daarop vroeg zij mij: “Zijt gij uit Israël?”, en ik zei tot haar: “Ja”. Daarop vroeg zij mij: “En wie is het die in de grot gaat bevallen?” Ik zei: “Mijn verloofde.” Zij vroeg mij: “Is zij dan niet uw vrouw?”, en ik antwoordde haar: “Het is Maria, die in de tempel van de Heer is opgevoed en die ik door het lot tot vrouw heb gekregen. En toch is zij mijn vrouw niet, maar zij is zwanger uit de Heilige Geest.”

Daarop zei de vroedvrouw tot hem: “Is dat waar?” En Jozef zei: “Kom en zie.” En de vroedvrouw ging met hem mee. En zij kwamen bij de plaats van de grot en zie, een lichtende wolk overschaduwde de grot. De vroedvrouw sprak: “Op deze dag is mijn ziel groot gemaakt, want mijn ogen hebben wonderbare dingen gezien; want voor Israël is heil geboren.”

En meteen verdween de wolk uit de grot en verscheen er een groot licht in de grot, zodat onze ogen het niet konden verdragen. En geleidelijk nam dat licht af, tot het kind zichtbaar werd. En het kwam en nam de borst van zijn moeder Maria. De vroedvrouw riep uit: “Heden is het een grote dag voor mij, omdat ik dit nooit vertoonde wonder heb gezien.”

En de vroedvrouw verliet de grot en Salomé kwam haar tegemoet. En zij zei tot haar: “Salomé, Salomé, ik moet je vertellen over een wonder dat nooit eerder is vertoond: een maagd heeft een kind ter wereld gebracht, wat volgens de natuur toch onmogelijk is.” Maar Salomé zei: “Zo waar de Heer, mijn God, leeft, zolang ik mijn vinger niet naar binnen gebracht heb om haar gesteldheid te onderzoeken zal ik niet geloven dat een maagd een kind ter wereld heeft gebracht.”

En de vroedvrouw ging naar binnen en sprak tot Maria: “Houd u gereed, want er is geen geringe strijd over u.” En Salomé bracht haar vinger in haar naar binnen en zij slaakte een kreet en riep: “Wee over mijn slechtheid en mijn ongeloof, want ik heb de levende God verzocht. Zie, mijn hand wordt door vuur verteerd en valt af.”

En zij boog haar knieën voor de Heer en sprak: “God van mijn vaderen, gedenk mijner, want ik ben uit het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob. Stel mij niet ten voorbeeld voor de kinderen van Israël, maar geef mij terug aan de armen. Want Gij weet, Heer, dat ik mijn dienst verrichtte in uw naam en mijn loon van U ontving.”

En zie, vóór Salomé stond een engel van de Heer die tot haar sprak: Salomé, Salomé, de Heer God heeft u verhoord. Breng uw hand naar het kind en raak het aan en redding en vreugde zullen uw deel zijn.” En Salomé kwam naderbij, raakte het aan en zei: “Ik zal Hem hulde brengen, want een groot koning is voor Israël geboren.”

En zie, meteen was Salomé genezen en gerechtvaardigd verliet zij de grot. En zie, een stem sprak: “Salomé, Salomé, maak niets bekend van de wonderen die gij gezien hebt eer het kind Jeruzalem is binnengegaan.”

En zie, Jozef maakte zich gereed om naar Judea te vertrekken. En er ontstond grote opschudding in Betlehem in Judea, want er waren wijzen gekomen die zeiden: “Waar is de pasgeboren koning der joden? Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te brengen.”

Toen Herodes dat vernam schrok hij en zond dienaren naar de wijzen. En hij liet de hogepriesters komen en ondervroeg hen en zei: “Wat staat er over de Christus geschreven? Waar moet hij geboren worden?” Zij zeiden tot hem: “Te Betlehem in Judea, want zo staat het geschreven.” Toen liet hij hen gaan.

Daarna ondervroeg hij de wijzen: “Wat voor teken hebt gij betreffende de pasgeboren koning gezien?” En de wijzen antwoordden: “Wij hebben tussen de andere sterren een uitzonderlijk grote ster gezien die met zijn schijnsel de andere sterren deed verbleken, zodat zij niet meer schenen, en daaruit hebben wij begrepen dat er voor Israël een koning was geboren en zo zijn wij gekomen om Hem hulde te brengen.”

Toen sprak Herodes: “Gaat Hem zoeken en als gij Hem gevonden hebt, laat mij het dan weten, opdat ook ik Hem hulde kan gaan brengen.” En de wijzen vertrokken. En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden ging voor hen uit tot zij bij de grot kwamen en bleef juist boven de grot staan.

De Apocriefen van het Nieuwe Testament 570

En de wijzen zagen het kind met zijn moeder Maria en zij haalden geschenken uit hun reiszak: goud, wierook en mirre. En daar zij door een engel gewaarschuwd waren om naar naar Judea te gaan reisden zij langs een andere weg naar hun land terug.

Toen Herodes begreep dat hij door de wijzen om de tuin geleid was werd hij toornig en stuurde hij moordenaars, die hij opdroeg: “Doodt de kinderen van twee jaar en jonger.” Toen Maria hoorde dat de kinderen gedood werden schrok zij, nam het kind, wikkelde het in doeken en legde het in een kribbe van de ossen.

Toen ook Elisabet hoorde dat Johannes gezocht werd, nam zij hem mee naar het gebergte. En zij keek om zich heen waar zij hem zou kunnen verbergen, maar er was daar geen schuilplaats. Toen zuchtte Elisabet en zei met luider stem: “Berg Gods, neem moeder en kind op” want Elisabet kon niet verder.

En terstond spleet de berg, want nam haar op. En er scheen voor hen licht door de berg, want er was een engel van de Heer bij hen, die hen behoedde.

 Herodes echter zocht Johannes en zond dienaren naar Zacharias en liet hem vragen: “Waar hebt gij uw zoon verborgen?” Maar hij antwoordde hun: “Ik verricht mijn dienst voor God en ben steeds in de tempel van de Heer. Ik weet niet waar mijn zoon is.”

En de dienaren gingen heen en brachten dit alles aan Herodes over. Toen werd Herodes toornig en dacht: “Zijn zoon zal zeker koning over Israël worden.” En opnieuw stuurde hij hem de boodschap: “Spreek de waarheid! Waar is uw zoon? Gij weet toch dat uw bloed in mijn hand ligt.” En de dienaren vertrokken en brachten dit alles aan hem over.

Toen antwoordde Zacharias: “Ik ben een martelaar van God als gij mijn bloed vergiet, want de Heer zal mijn geest tot zich nemen, omdat gij onschuldig bloed vergiet in de voorhof van de tempel van de Heer. En tegen de morgenschemering werd Zacharias vermoord.

En de kinderen van Israël wisten niet dat hij vermoord was.

 Maar toen de priesters op het uur der begroeting binnenkwamen kwam de zegen van Zacharias hen niet tegemoet zoals gewoonlijk. Zo bleven de priesters op Zacharias wachten om hem met gebed te begroeten en de Allerhoogste te prijzen. Maar toen hij wegbleef werden zij allen ongerust.

Tenslotte waagde een van hen het om naar binnen te gaan. En bij het altaar zag hij geronnen bloed en hoorde hij zijn stem zeggen: “Zacharias is vermoord en zijn bloed zal niet uitgewist worden tot zijn wreker komt.” Toen hij deze woorden hoorde schrok hij, ging weer naar buiten en vertelde het aan de priesters. En nadat zij moed verzameld hadden gingen zij naar binnen en zagen wat er gebeurd was.

En de panelen van de tempel weeklaagden en zelf scheurden zij (hun klederen) van boven tot beneden. Zijn lichaam vonden zij niet, maar wel vonden zij zijn bloed, dat tot steen geworden was. En bevreesd gingen zij weer naar buiten en deelden aan heel het volk mee, dat Zacharias vermoord was. En alle stammen van het volk vernamen het en zij beweenden hem en weeklaagden drie dagen en drie nachten.

Na de drie dagen beraadslaagden de priesters wie zij in de plaats zouden aanstellen en het lot viel op Simeon, want hij was het, aan wie door de Heilige geest bekendgemaakt was, dat hij de dood niet zou zien eer hij de Christus in het vlees zou hebben aanschouwd.

Maar ik, Jakobus, die deze geschiedenis heb opgeschreven, trok me terug in de woestijn toen er in Jeruzalem, bij de dood van Herodes een grote opschudding was ontstaan, tot de rust was weergekeerd. En ik loofde de Here God die me het verstand en de wijsheid had gegeven om deze geschiedenis op te schrijven. De genade zal zijn met hen die onze Heer Jezus Christus vrezen, aan wie zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen.