De tweede zevenkring in het christelijke inwijdingsmysterie: Uranus, de brief aan Filidelfia, driekoningen en de innerlijke Christus

Aan het einde van de eerste zevenkring van het christelijke inwijdingsmysterie is  lichaamsgestalte, begrepen naar de aarde aards, is door de hemelse mens veroverd. Van het denkatoom tot en met de stoffelijke cel is de oude Adam gegrepen en procesmatig wordt zijn manifestatie opgebroken.

De poort van Saturnus is opengegaan: de lichaamsgestalte van de hemelse mens gaat zich bewijzen in deze wereld, hoewel zij niet van deze wereld is. De leerling houdt, begrepen naar de eerste zevenkring, de zeven sterren in de rechterhand.

En nu, door de poort van Saturnus naar buiten tredende, staat de Uranus-zevenkring voor hem te lichten in het oosten. Dát is de ware ‘ster in het oosten’ die eenmaal voor de leerling in de christelijke mysteriën zal kunnen opgaan. De stad Filadelfia ligt ten oosten van Sardis. Aldus komt de geografie de innerlijke betekenis van de openbaring onderstrepen.

Zodra de ‘ster in het oosten’ in de tweede zevenkring voor de leerling gaat lichten, wordt alles anders in zijn leven. Hij beleeft en ervaart de drievoudige planetaire Logos op een geheel nieuwe wijze.

Hij reist naar Bethlehem (het broodhuis) om het brood des levens eerstehands en direct te grijpen; hij komt in de geboortegrot – of de stal – om het kind Jezus te eren en te aanbidden, door middel van een persoonlijke ontmoeting met het goud van de geest, de wierook van de ziel en de mirre van een vernieuwde gestalte, geboren uit de bittere lijdenskelk die naar de vorm van de lotus is gesmeed.

De leerling is dus een van de koningen, wanneer hij de Uranuskring binnengaat. En daarom zien wij dan ook hoe in de symboliek van de geestesscholen de Uranus-ingewijde getooid staat met een kroon. En de ingewijde is zich daarbij de waarschuwing steeds indachtig: ‘Spoedig kom ik! Houdt wat u hebt; opdat niemand uw kroon neme.’

Zulke een leerling is ook ‘driekoningen’. Immers hij is een drievoudige mens, hij vertegenwoordigt de drievoudige Logos, hij is geest, ziel en lichaam. Aldus reizen drie koningen naar de ster die schijnt in het oosten.

De geest en de ziel komen het eerst, zij vlieden voor de tragere lichaamsgestalte uit. De derde koning komt achteraan; hij is het spoor nog wat bijster. Hij moet nog zoeken, hij loopt nog gevaren, hij schept nog gevaren.

‘In de poort van Saturnus staan’ betekent voor de lichaamsgestalte nog geen volledige bevrijding. Het nieuwe is definitief geboren maar moet de oude structuur nog volledig liquideren.

De leerling die de eerste zevenkring doorstreden heeft wacht een nieuwe geboorte, en zodra hij de Uranuskring mag binnengaan, wordt die nieuwe geboorte een feit. Het gaat hier omde geboorte van het hemelse zielewezen, dat eveneens zevenvoudig van aanzicht is.

Dat nieuwe zielewezen wordt voorgesteld als het Jezuskind, hulpeloos nog liggend in een kribbe, in doeken gewonden. De leerling moet gaan ondernemen om, wederom langs een zevenvoudige weg de nieuwgeborene tot een onneembare kracht te realiseren en te consolideren. Daarom ligt ook aan de poort van Saturnus het ‘zwart gevloekte’ op de loer om het nieuwgeboren kind te vermoorden.

Wanneer de leerling evenwel de juiste weg bewandelt en het kwaad onderkent, zal hij de weg vinden. Voor hem geldt het woord: ‘Zo spreekt de heilige die uw deur geopend heeft. Als hij opent sluit niemand. Sluit hij, niemand opent. Ik heb u gegeven, dat voor u een deur open staat die niemand kan sluiten. Want al hebt gij geringe kracht, gij hebt mijn woord bewaard en mijn naam niet verloochend.’

Wanneer de student het pad gaat zoals dat in het voorgaande is geschetst en hij wordt op dat pad trouw bevonden dan is hij veilig en niemand zal hem zijn kroon kunnen ontroven.

In de eerste zevenkring moest de grondslag gelegd worden voor een goddelijke woning voor de ware geest. Een tempel moest door de hogepriester worden gesticht. En de kandidaat in de eerste zevenkring onderging het goddelijke voorrecht dat God hem in die tempel ontmoeten ging.

Maar in de zielezevenkring van Uranus wordt het licht van God lijfelijk in hem geboren, het wordt deel van hem. De Uranus-ingewijde kan spreken van ‘de Christus in mij’.

Er is een oude legende van een profetes, Ammia genaamd, die in Filadelfia woonde. Ammia betekent: volk van God. In Filadelfia wonen, tot de Uranuskring behoren, beduidt letterlijk en lijfelijk ‘in nieuwe zin toetreden tot het volk van God’.

Ook zijn er verhalen over de uranische reuzen, de titanen van kracht die de beschikking hadden over zeer grote vermogens. In de mythologie en in de occulte wetenschap is Uranus de vader van de goden, het begin en de schepper van een nieuw pad.

Uranus is tevens, zo kan iedere esoterische student weten, een hoger Christussymbool. Christus is hierin niet meer het lam, ‘dat de zonde van de wereld wegneemt’, ook niet meer visser van mensen, maar de universele lichtende liefdekracht, de ware en werkelijke kosmische alvibratie.

‘God is liefde’, en de zoon – Christus – heeft haar ons geopenbaard. En waar deze Al-liefde, na de eerste zevenkring, in de leerling gestalte gaat aannemen, daar gaat hij, gekroond als koning, de Uranuskring binnen en begroet hij als koning het nieuwgeboren kind.

Zulk een leerling blijft dan niet meer stil staan bij de historische verschijning van een overoud verleden, dat ten dele in nevelen gehuld ligt en hij strijdt niet met de primitieve twisters over ‘hoe het wel geweest zal zijn’: hij beleeft de heer van alle leven in het heden, in de eigen microkosmos, als zevenvoudige zielevorst.

In de Uranus-zevenkring gaat een nieuwe Christuszon rijzen en de trooster (Jehovah) volgt die Zon met het openbaren van vijf stadia van groei. Het hemelse zielepentagram gaat zich ontwikkelen als ‘eeuwigheid in de tijd’.

Bron: Hoofdstuk 10 van Het christelijke inwijdingsmysterie (Dei Gloria Intacta) van Jan van Rijckenborgh