De twee Jezuskinderen: de salomoonse (koninklijke) en nathaanse (priesterlijke) Jezus houden volgens Rudolf Steiner verband met Zarathoestra, Boeddha en Adam

Waar is Jezus geboren? In Bethlehem? Waar kwam de vader van Jezus vandaan? uit Bethlehem, zoals Mattheüs zegt? Of uit Nazareth, zoals Lucas meedeelt?

Er blijkt een verschil te bestaan en we zullen dus een antwoord moeten vinden op de vraag wie Jezus eigenlijk is. Het blijkt dat als je de evangelien goed probeert te duiden, je op moeilijkheden stuit. Er is een grote discrepantie tussen het geslachtsregister dat Lucas geeft en het geslachtsregister dat Mattheüs beschrijft. Hier hebben de manicheërs in de derde eeuw al op gewezen.

Lucas begint bij de Jezus-mens, gaat dan naar Jozef en in veertig generaties komt hij tot Nathan, de zoon van David. Tussen David en Abraham worden 14 generaties genoemd. Van Abraham tot aan de zoon van God 20 generaties.

Deze volgorde geeft aan dat Lucas als het ware vanuit zelfkennis bij de Jezus-mens begint. Lucas probeert van binnenuit, vanuit zijn eigen mens-zijn, vanuit zelfkennis, door te dringen tot het wezen dat de meest oorspronkelijke voorvader van Jezus was. Uiteindelijk komt hij aan bij Adam, de zoon van God.

Mattheüs begint niet bij de Jezus-mens. Hij begint bij Abraham. De eerste 20 generaties die bij Lucas worden genoemd, komen niet bij Mattheüs voor. Van Abraham tot aan David worden dezelfde generaties beschreven als bij Lucas. Die komen dus overeen.

Mattheüs gaat niet verder met Nathan als de zoon van David, maar met Salomo. Hij beschrijft niet 40, maar 25 generaties die op twee uitzonderingen na helemaal niet overeen komen met de lijst van Lucas. Mattheüs noemt veel meer generaties. Hij begint vanuit de geschiedenis, vanuit wereldkennis. Bij Abraham beginnend komt hij uiteindelijk tot Jozef.

Dit zijn heel belangrijke verschillen. Maar er zijn behalve de geslachtsregisters nog meer verschilpunten. In het Mattheüs-evangelie wordt over de kindermoord gesproken en over de vlucht van Maria en Jozef naar Egypte. In het Lucas-evangelie is van deze gebeurtenissen helemaal geen sprake.

Hoe is deze discrepantie te verklaren? In de hedendaagse theologie wordt er vanuit gegaan dat het om verhalen gaat. Je moet het niet feitelijk nemen. De vraag is of dit op een dergelijke abstracte wijze bedoeld is.

Vanuit het esoterische christendom, in dit geval door Rudolf Steiner beschreven, wordt gewezen op het feit dat er sprake is geweest van twee verschillende Jezus-individualiteiten.

Het door Lucas beschreven Jezus-kind wordt door Steiner de nathaanse Jezus genoemd, een afstammeling van de priesterlijke zoon van David. Het door Mattheüs beschreven Jezus-kind wordt door hem de salomoonse Jezus genoemd : een afstammeling van de koninklijke zoon van David. Pas later worden deze twee individualiteiten met elkaar verenigd.

Rudolf Steiner geeft aan dat de Jezus-individualiteit die Mattheüs beschrijft, de Salomoonse Jezus, op twaalf jarige leeftijd sterft. Het Ik van hem gaat dan over in de Jezus, zoals door Lucas beschreven: de nathaanse Jezus. Dan pas is er sprake van de Jezus-mens zoals wij die kennen.

In dat twaalfde jaar heeft dus een uiterst belangwekkende gebeurtenis plaatsgevonden. Daar zullen wij verder in moeten doordringen om te zien of wij dit kunnen begrijpen. Wij beginnen bij het kind, zoals dat door Mattheüs wordt beschreven en we zullen zien dat het niet zonder reden is dat in dit evangelie beschreven is dat de drie koningen uit het oosten aan het geboren Jezus-kind hun geschenken komen aanbieden.

Rudolf Steiner zegt dat je door middel van het schouwen in de geestelijke wereld kunt vinden dat het Ik  dat in die Jezus-mens werkt, al door vele incarnaties is gegaan. Dat Ik is het Ik van Zarathoestra, de grote Perzische leraar. We zouden moeten nagaan of dit gegeven terug te vinden is in andere bronnen dan die van de geesteswetenschap.

De twee Jezuskinderen op schilderij van Rapaël Salomoonse en Nathaanse Jezus Matteüskind en Lucaskind 600

In het Lucas-evangelie wordt een Jezus-mens beschreven die volgens Steiner met Boeddha verbonden is. In de voorchristelijke tijd was Perzië het ‘westen’ en India het ‘oosten’. In het Indiase oosterse denken is een andere tegenstelling dan in het westerse denken van Perzië. In India heb je niet Mannah en Vohoe Manah, maar Atman en Mahatman. Atman is de goddelijke geest in de ziel en Mahatman de goddelijke geest in de kosmos.

Hier zie je een duidelijk verschil met het ‘westen’. In het Indiase denken gaat het er om dat je tot een totale verinnerlijking komt; dat je met de diepste ziele-gevoelensd door bewustwording van de ademhaling bij je innerlijke kern, bij Atman, kunt komen.

Als je tot een werkelijke verinnerlijking komt en je losmaakt van alle lichamelijke voorstellingen, dan kan die goddelijke kern tot bloei worden gebracht. Door die verinnerlijking ontstaat een nieuwe kracht van de ziel, weergegeven in het beeld van de opbloeiende lotusbloem. De substantie van de lotusbloem openbaart zich in de ziel en door deze reiniging, deze intensivering en verhoging van de ziel ontstaat de mogelijkheid dat Mahatman kan indalen en de Verlichting kan brengen.

Dit is de mystieke weg in tegenstelling tot de weg van Zarathoestra waarbij het denken zo ontwikkeld moet worden, dat het schouwend denken wordt. Met schouwend denken kun je de scheppende Geest die in de natuur werkt helderziend waarnemen en tot begrip brengen. In het geestelijk denken treed je enigszins uit je lichaam.

In de mystiek trek je helemaal samen in het diepst van je innerlijk en daardoor dieper in het lichaam. Zarathoestra wijst een weg van het geestelijk schouwen of helderziendheid waardoor in de kosmos de heilige Zevengeest gezien kan worden. Van daaruit wordt de mogelijkheid ontwikkeld om die zeven goede eigenschappen in jezelf te verwezenlijken. Vanuit de kosmos wordt de mens begrepen. Zelfkennis vanuit geestelijke wereldkennis.

Boeddha legt helemaal niet zo sterk de nadruk op een kosmologie. Hij spreekt heel intens over de noodzaak van de werkelijke stilte van de ziel: de levende stilte als achtzaamheid, waardoor je de diepste goddelijke kiemkrachten tot bloei kunt brengen.

Het gaat om twee verschillende inwijdingswegen.Ik denk dat je de westerse weg van Zarathoestra het eeuwig mannelijke in iedere man of vrouw kunt noemen. Dit is een actieve vorm van scheppend geestelijk denken dat ook de wil aanvuurt.

De oosters-meditatieve weg van Boeddha kan dan het eeuwig vrouwelijke in ieder mens genoemd worden. De volkomen onbevangenheid en ontvankelijkheid voor de totale kosmos. Door te sterven van jezelf, naar de beperkingen van de persoonlijkheid, kan de volledige werkelijkheid volkomen beleefd worden. Zo hebben we een oerpolariteit gevonden tussen het denken van Zarathoestra en het denken van Boeddha.

Jezus uit het Lucas-evangelie is de Jezus naar wie de herders gaan. Deze hebben een open gemoed en niet zozeer een sterk ontwikkeld denken, zoals de magiërs uit het oosten. De toon van het Lucas-evangelie is de toon van de eenvoud van het hart.

Een mooi voorbeeld dat Rudolf Steiner hiervan geeft is de gelijkenis van het penningske van de weduwe. In deze gelijkenis wordt beschreven hoe in de eenvoud van het hart, de puurheid van de liefde geboren kan worden. Heel vroom, heel ingetogen. Voor de meest eenvoudige mens te begrijpen.

Rudolf Steiner zegt over de Jezus uit het Lucas-evangelie dat in deze Jezus niet een Ik werkte dat door incarnaties is heengegaan. Dit in tegenstelling met de Jezus-mens die in het Mattheüs-evangelie wordt beschreven. Daar wordt de meest edele mens van de mensheid beschreven. Een mens die zich in vele incarnaties rijp heeft gemaakt om drager van Christus te worden.

De Jezus-mens uit het Lucas-evangelie heeft geen Ik in zich dat door de incarnaties is gegaan. Deze Jezus-mens draagt – volgens Steiner – in zich het hoge wezen van Adam, dat in de goddelijke wereld was achtergebleven; het hogere Zelf van Adam. Dit wezen is volkomen onschuldig; het heeft geen karma opgedaan en hoeft niets te vereffenen. Dit wezen is niets anders dan paradijselijke onschuld.

Rudolf Steiner brengt deze ziel van de Jezus-mens, dit hogere wezen van Adam, in verbinding met een engelwezen. Later spreekt hij zelfs over een Aartsengelwezen. Hij wil hiermee zeggen dat in deze Jezus-mens niet het Ik van een mens geïncarneerd is, maar een engelachtig wezen.

Het is opmerkelijk dat de leer van Origenes (185-254 na Chr.) sterk overeenkomt met dit denken van Rudolf Steiner. Origenes zegt dat er in het voorgeboortelijk leven allerlei zielen zijn die door de zondeval zijn gegaan. Een ziel is echter nog niet door de zondeval gegaan. In deze ziel werkt de Logos helemaal door en deze zal tot incarnatie komen als de Jezus-mens. Origenes noemt deze mens de Anima Candida (de reine, zuivere ziel).

Rudolf Steiner zegt van dit aartsengelwezen dat het in de geestelijke wereld al voor zijn menswording tot driemaal toe voor de totale mensheidsontwikkeling een offer heeft gebracht. De eerste keer was op het moment dat in een heel vroeg stadium van de mensheidsontwikkeling, in Lemurië, de zintuigen zich begonnen te ontwikkelen. Voor de tweede keer, vroeg in Atlantis, heeft dit engelwezen een offer gebracht en wel op het moment dat in de mensheidsontwikkeling de levensorganen, de stofwisseling, zich vormden.

Aan het einde van de Atlantische tijd gebeurde het vervolgens dat denken, voelen en willen in de mens door de geesten van de duisternis door elkaar heen bewogen werden. Het was bijvoorbeeld niet mogelijk los van willen en voelen te denken, of alleen te voelen en het denken op de achtergrond te houden.

Deze ziele-krachten werkten zo chaotisch door elkaar heen dat de mens niet tot een zelfbewustzijn kon komen waar het Ik deze faculteiten zou kunnen aansturen en veredelen. Er zou geen morele verwerkelijking van deze eigenschappen kunnen ontstaan. Want de begeerten leidden het verstand en alleen wat gevoeld werd, werd als waar bevonden.

Voor de derde maal heeft dit wezen zich ingelaten met de draak die met de zon, de maan en de aarde verbonden is, en is dit wezen door de Logos overstraald. Zo werd het kwaad at zich in de mensheidsontwikkeling had gevormd gekeerd. Steiner kon schouwen dat deze Aartsengel, die op deze wijze in een liefdesoffer het denken, voelen en willen harmoniseerde, door de Grieken werd geschouwd als Apollo die op zijn lier speelt.

Steiner geeft hier ook de imaginatie zoals deze in de christelijke cultuur heeft doorgewerkt: Sint Joris en de draak. Als je hierop doordenkt is dit opmerkelijk, want dit is het beeld van Michael. Michaele was ook een aartsengel en Apollo werd in de manichese vertalingen ook met de Perzische god Mithras geïdentificeerd. In een ander verband identificeerde Steiner Mithras weer met Michaël.

Dit hoge aartsengelwezen, dat we op deze wijze met Michaël in verbinding mogen brengen, werd door Rudolf Steiner het hogere Adam-wezen genoemd. Dit Adam-wezen is in de beschrijving van Lucas in de Jezus-mens geïncarneerd. Dit hoge Adam-wezen zal ook voor de vierde maal door de logos overstraald worden, bij de doop in de Jordaan. Het liefdesoffer gaat dan zo diep. dat dit Aartsengelwezen zich verbindt met de draak, met de doodskrachten van het lichaam.

De Logos overstraalt nu niet alleen dit engelwezen, maar het Ik van de Logos incarneert in di wezen tot een wezensvereniging. Niet zonder reden wordt Christus Jezus dan ook de tweede Adam genoemd. Je kunt stellen dat dit Aartsengelwezen van paradijselijke onschuld is en een ongelooflijke liefdekracht heeft om het kwaad te kunnen omvormen.

En wat waren eigenlijk de heerscharen van het licht die de herders hebben waargenomen? Niet de ster van Zarathoestra, maar het geestelijk licht van de Boeddha hebben zij gezien. De herders waren incarnaties van leerlingen van de Boeddha. Rudolf Steiner kon schouwen dat dit licht dat de herders schouwden, het Nirmana-kaya van Boeddha is.

Nirmana-kaya betekent ‘het zich openbarende geesteslichaam’. Dit vredelicht van de Boeddha werkt door tot in de ziel, in het hoge Adam-wezen van het Jezus-kind. Je kunt daardoor zeggen dat de ziel van de door Lucas beschreven Jezus, in zekere zin de ziel van Boeddha is. Het hoge Adam-wezen is een puur paradijselijk wezen dat nog geen incarnaties had doorgemaakt.

Het is dan eigenlijk heel begrijpelijk dat juist de ziel van Boeddha in dit hoge Adam-wezen doorwerkt, want het was juist Boeddha die door middel van het achtvoudige pad de mens leerde om bewust in zichzelf tot zo’n paradijselijke onschuld te kunnen komen.

De krachten van de liefde komen vrij wanneer je afstand neemt van het verleden, wanneer je niet gehecht raakt, maar tot daadwerkelijke compassie komt, als je jezelf ieder moment in liefde kunt openen voor de steeds veranderende werkelijkheid van het heden. Het bewustzijn van paradijselijke onschuld van Boeddha werkt door in het wezen van paradijselijke onschuld zelf. Het is in het licht van dit aartsengelwezen dat Christus zich ook aan Paulus bij Damascus openbaarde.

Bron: ‘Wie denken de mensen dat ik ben. Christologie van de liefde’ van Ronald van Vliet.