Dr. Okke Jager over Kerst en het kerstverhaal in Daglicht, Bijbels dagboek

Okke Jager over de volkstelling.03822 december. Een landelijke chaos?

…Dat het gehele rijk moest worden ingeschreven (Lucas 1:2)

Lucas 2 kunnen wij wel dromen. Hoe kunnen er nu in dit uit en te na uitgeplozen bijbelgedeelte nog woorden voorkomen waar wij overheen lezen? Het is merkwaardig: juist omdat dit hoofdstuk zo bekend is, wordt er maar weinig nagedacht over wat er nu eigenlijk staat. Als u vraagt: Wat betekent die inschrijving? zeggen negen van de tien mensen: Een volkstelling, omdat Augustus wel eens wilde weten hoeveel onderdanen hij had!

Mevrouw D.A. Cramer-Schaap vertelt in “Bijbelse verhalen voor jonge kinderen”: Maria verwachtte het Kindje waarover de Engel gesproken had. En toen moest zij op reis! Waarom? Zij was toch zeker veel liever in haar huis gebleven? Ja, maar alle mensen moesten naar de plaats gaan waar zij geboren waren. Daar werden hun namen opgeschreven in een groot boek. Dat wilde de Keizer zo.”

Anne de Vries schrijft in zijn “Kleutervertelboek voor de bijbelse geschiedenis”: “De Keizer wou weten, hoeveel mensen er woonden in het land. Daarom moesten alle mensen hun naam laten opschrijven in hun eigen stad. En daarom moesten Jozef en Maria naar Bethlehem. Want dat was hun stad. Daar had hun familie vroeger gewoond.”

Mej. G. Inwersen zegt in haar “Bijbel in vertelling in beeld voor de kinderen van ons volk”: “Augustus wilde weten over hoeveel mensen hij wel regeerde. Ieder man moest zich melden … in de plaatst waar zijn geslacht geboren was. Wat een opschudding bracht dat teweeg! Wat ‘n gepak en gejaag! Wat een gereis en getrek! … Dat Jozef nu juist weg moest gaan, nu het kindje geboren zou worden …”

En zo staat het begin van het kerstverhaal in alle kinderbijbels beschreven. Het is een belediging voor Augustus, èn voor Jozef. Waarom zou de keizer alle mensen een verre reis laten maken voor een volkstelling? Dat gaf alleen maar onnodige verwarring. Hoe kan men toch veronderstellen dat de Romeinen heel de bevolking zouden laten evacueren alleen maar om de mensen te tellen? Zouden ze nu werkelijk een chaos veroorzaken om meer overzicht te krijgen?

In ons land koos men voor een volkstelling vaak de oudejaarsavond: juist omdat iedereen dan rustig thuis is. De Romeinen, goede juristen, bekwame administrateurs, kundige organisatoren, zouden er niet aan dènken om een heel volk op reis te laten gaan voor een telling waarbij iedereen beter thuis kan blijven.

Uit allerlei documenten blijkt dat de inschrijving ten doel had om een kadaster aan te leggen en alle onroerende goederen – grond en huizen – te taxeren met het oog op de belasting. Dit vergde enkele jaren: een commissie van belastingambtenaren trok door het land en als die in een bepaalde plaats was gearriveerd, kwamen alle manen daarheen die in die plaats een stuk grond of huis bezaten, om hun belangen te behartigen en niet te hoog te worden aangeslagen.

Elk stukje grond moest naar zijn waarde geschat worden, er moest wettig worden geregeld wie de erfgenamen waren. Zo’n commissie had dus wel een paar weken nodig, voordat een heel dorp was “afgehandeld”. Daarom was de herberg in Bethlehem voor enkele weken vol; maar voor de rest van het jaar was het rustig. Het was heus niet overal “een gepak en gejaag”!

23 december. Met de stroom mee.

Ook Jozef trok op (Lucas 2:4)

Prof. Smelik heeft eens gewezen op deze onopvallende, schijnbaar toevallig gebruikte uitdrukking: ook Jozef trok op. Dat woordje ‘ook’ zet ineens Jozef en Maria op één lijn met al die opgejaagde reizigers die op weg gaan om aan het bevel van de keizer te gehoorzamen. Zij vormen geen uitzondering. Ook zij moeten gaan delen in de onrust en het ongemak. Zij krijgen geen speciale bescherming van Hogerhand; zij spoelen voort in de stroom van de geschiedenis.

In dat woordje ook gaat de wereld open van de ambtenaren die de hele zaak administreerden en op formaliteiten stonden. Smelik zei ervan: “Al die medewerkers en bewerkten, al die korzelige gebaren, die verwijtende oen, de verslofte passen zijn verondersteld in dat ene woordje: ook.

We kennen de mensen, die we op de wegen tegenkomen, of die de kantoren bezetten; mensen met hun klein machtsvertoon of hun zielige afhankelijkheid: ellendelingen, die weerlozen doorsturen van adres naar adres, breed-uit zittend op hun posten, in hun wagens, of stakkers die op een goedertieren lift staan te wachten. We kennen de eeuwig verongelijkten en de permanente, professionele gelijkhebbers.”

Het is me het wereldje wel, dat hier met een paar zinnen voor ons wordt opgeroepen. We kennen het, o ja, – maar al te goed. Het is onze bureaucratische maatschappij. Het is onze naaste omgeving. En dàt is nu het wereldje waarvan wij op het Kerstfeest belijden: Alzo lief heeft God de wereld gehad … Dat woord “wereld” gaat pas leven, als wij ervan maken: de ambtenarenwereld, de kerkelijke wereld, de welvaartsstaat. Alzo lief heeft God de zakenwereld gehad …

Wie preekt over “de wereld”, preekt over onze hoofden heen. Preken bestaat voor een groot deel uit: concreet maken. Daarom moeten wij “de wereld” vervangen door: “Het Romeinse Rijk”. Maar dan zijn wij nog niet klaar. Dit is nog niet concreet genoeg. Inplaats van: het Romeinse Rijk, moeten wij zeggen: “Toen Nijmegen en Bethlehem tot één rijk behoorden. (Sikken). Dàt is preken.

Zo krijgen bekende klanken weer inhoud. Wij zien het ineens vóór ons, in kleuren. Jozef en Maria krijgen geen dispensatie door Goddelijk ingrijpen. Zij moeten met de stroom mee drijven – als dode vissen. Jezus wordt ingeschreven als nummer zoveel. De pen van de ambtenaar beeft niet meer dan anders. Er komt bij de naam Jezus geen enkele extra krul of streep. Ook Hij wordt geboren. Ook Hij zal sterven.

De ambtenaar van de burgerlijke stand doet zijn plicht. De boeken moeten kloppen. Ordnung muss sein. Befehl ist Befehl. Ook Jozef trok op. Daarom mogen wij ook het door ons beduimelde “Vrede op aarde” opnieuw concreet maken. Ere zij God, vrede op kantoor, in de ambtenaren een welbehagen.

24 december: financiële verplichtingen

… omdat hij uit het huis en het geslacht van David was (Lucas 2:4)

Wij zagen wat de kinderbijbels ervan hebben gemaakt: iedereen moest naar zijn geboorteplaats of naar de plaats waar zijn geslacht geboren was. Maar hoe kunnen wij in vredesnaam ooit uitmaken waar onze familie vandaan komt? Welke over-over-over grootvader moeten wij dan als maatstaf nemen?

Elke generatie kan toch weer ergens anders hebben gewoond? En wat heeft het voor zin om iedereen naar het dorp te laten komen, waar de wieg van zijn grootouders stond? De uit ballingschap teruggekeerde joden wisten vaak niet eens meer tot welke stam zij eigenlijk behoorden? Wie had al die reizen moeten betalen? Waarom zouden allen op reis gaan in een tijd waarin vele joden probeerden alle Romeinse maatregelen te saboteren?

Dacht u werkelijk dat de zeloten op reis waren gegaan voor een volkstelling? Hebt u Handelingen 5 wel eens naast Lucas 2 gelegd? Daar staat: “In de dagen van de inschrijving stond Judas de Gallileeër op, en hij kreeg vele afvalligen op zijn hand”: een verzetsstrijder die zich voor de Messias uitgaf! Het was dus overal onveilig in het land ; zou tijdens zo’n guerilla-oorlog iedereen op reis kunnen gaan?

Waarom willen wij bij de kerstgeschiedenis nu nooit eens nuchter nadenken? Jozef ging naar Bethlehem, omdat hij daar blijkbaar bezittingen had. En hij had daar bezittingen, omdat hij familie van David was. Hij was beslist niet zo arm als wij hem in onze verhalen en gedichten hebben gemaakt. Hij bezat grond of huizen, en hij moest op reis vanwege de vermogensbelasting. Een dure reis van 150 km had hij ervoor over. Die reis was extra gevaarlijk omdat hij uit het huis van David was.

Judas de Gallileeër was met een opstand begonnen: het volk verlangde naar een complete bevrijdingsoorlog. Velen wilden een zoon van David op de troon! Jozef was de kroonpretendent. Hij kon maar beter onderduiken. Maar Zijne Koninklijke hoogheid Prins Jozef, uit het huis van David, reisde door een onrustig land naar zijn bezittingen in Bethlehem.

Hij deed dat niet, omdat de keizer het had bevolen. Hij trok op, op eigen kosten, omdat hij er zelf belang bij had. Hij wilde niet te hoog worden aangeslagen als belastingplichtige: hij moest straks een Zoon onderhouden. Inderdaad trok hij op, omdat hij uit het geslacht van David was: hij had verplichtingen tegenover het Kind dat Maria verwachtte. Ja zeker: financiële verplichtingen.

Het kerstverhaal is heel nuchter. Het geboortekaartje van Jezus ligt vlakbij een belastingbiljet. Daar zou je bijna een nieuw kerstlied van gaan zingen: God daalt neer in de geldzorgen van de mensen!

25 december: een arme stal?

Omdat voor hen geen plaats was in de herberg (Lucas 2:7)

Dat de herberg vol was, kon niemand helpen. De keizerlijke ambtenaren waren voor enige weken in Bethlehem, en bovendien alle niet-Bethlehemieten die in de stad een stukje grond of een huis bezaten. Dat Maria een kind zou krijgen, was bij haar aankomst nog niet aan de orde. Anders hadden gastvrije joden heus wel hun huis aan haar afgestaan.

Jozef zocht onderdak voor enige maanden. Hij wilde wellicht liever niet bij familie intrekken. Hij gaf de voorkeur aan een rustig plekje waar Maria de komst van haar kind ongestoord kon afwachten. Omdat de herders met hun kudden nog dag en nacht in het veld waren, zoals elk jaar vanaf Pasen tot aan het begin van de regentijd in november, stonden de stallen van de herberg ter beschikking voor vreemdelingen.

Dat wist Jozef van te voren: als wij na Pasen aankomen, kunnen wijvan die gelegenheid gebruik maken. Dat deden wel meer mensen in die tijd. Zo’n gastverblijf moeten wij ons niet als een Hollandse veestal voorstellen. De os en de ezel staan niet in Lukas 2, maar zijn er door ons bij gefantaseerd. Jozef zou Maria nooit in een beestenbende hebben laten zitten. Hij liet haar in een grot wonen omdat het daar koel was.

De stallen van de herberg bestonden uit verschillende grotten waarin men ‘s zomers geschikt kon wonen. Als Jezus later vertelt over de herders die hun schapen roepen, denkt Hj aan zo’n herberg, waar iedere herder voor zijn eigen kudde een aparte afdeling kan huren: als hij zijn schapen door de hoofddeur in- en uitleidt, lopen nooit alle kudden door elkaar, want elk schaap kent de stem van de herder van haar eigen afdeling! In zo’n afdeling – heus niet armoediger dan welke andere ruimte ook – had Maria minder last van de warmte.

Jozef kon als timmerman in één dag die grot bewoonbaar maken. De kribbe was een betere wieg dan wat ze in die tijd een wieg noemden. In doeken gewonden werd elke baby; met armoe heeft dat niets te maken. Elk kind werd in lappen gewikkeld om het tegen insecten te beschermen: alleen de oogjes, het neusje en het mondje bleven vrij, verder werd het goed ingepakt. Maria had alle voorzorgsmaatregelen genomen.

Onze romantische kerstverhalen over de arme stal zijn kwetsend voor deze zorgzame ouders, voor de herbergier en voor de inwoners van Bethlehem. Dat is een zonde tegen het negende gebod: lichtelijk en onverhoord oordelen.

26 december. Vier redenen.

…met Maria… (Lucas 2:5)

In vele kerstpreken en kinderbijbels wordt Jozef beledigd. Men stelt het vaak zo voor, alsof Maria onmiddellijk na aankomst in Bethlehem haar Kind zou hebben gekregen. Maar Lucas zegt: Toen zij daar waren (niet kwamen), werden de dagen vervuld (daar gingen weken of maanden overheen) dat zij baren zou.

Jozef zou Maria nooit meegenomen hebben, als zij al negen maanden in verwachting was geweest. De reis was toch al niet gemakkelijk voor haar: vier dagen op een muildier in een tijd van woelingen met kans op overvallen. Maar Jozef nam haar mee terwille van haarzelf: in Nazareth werd zij met de nek aangekeken. Bovendien: hij wilde in Bethlehem zijn, als haar Kind werd geboren.

Hij kan daarvoor vier redenen hebben gehad. Misschien heeft hij aan de profetie van Micha gedacht; het kan ook zijn dat Maria hem daarop opmerkzaam heeft gemaakt.

In de tweede plaats wilde hij haar Kind meteen bij de keizerlijke ambtenaren laten inschrijven als wettige erfgenaam van zijn bezittingen in Bethlehem: hij moest voor de toekomst van zijn Zoon zorgen!

In de derde plaats kon de geboorte beter vèr van huis plaatsvinden, zodat Maria niet gehinderd zou worden door kleinsteedse nieuwsgierigheid.

Tenslotte: hij kan het verlangen hebben gehad om met Maria het paasfeest te vieren in Jeruzalem. Het kerstfeest bestond nog niet! Omdat zij vier of vijf maanden in verwachting was, durfde hij haar nog wel mee te nemen.

In het bergland van Judea werd toen al druk gesproken over het bezoek dat Maria aan Elisabeth had gebracht. Niet maar alleen in de familiekring van Zacharias, maar in het gehele bergland gingen de woorden “Maria” en “Messias” van mond tot mond!

Maria kwam in het noorden nog in roddelpraat, maar in het zuiden al in profetieën terecht. Intussen reed de veelbesproken vrouw haar vierdaagse naar Bethlehem. Tussen smaad en glorie: zo begon het, en zo zou het blijven. Jozef, zorgzaam naast haar, peinsde over de lasten van de uitverkiezing: adeldom verplicht. Bij elke stap van het muildier kwamen zij dichter bij het kruis.

Bron: ‘Daglicht – Bijbels dagboek’ van dr. Okke Jager