Verhaal 4 januari



De grondstellingen van de zeven wijzen

14 Aquarius Evangelie 0401

Toen de wijzen een weinig verkwikt waren, openden zij het boek des levens en lazen. Zij lazen de geschiedenis van het leven van de mens; van al zijn strijd, zijn verliezen, zijn winsten; en in het licht van voorbije gebeurtenissen en zorgen, zagen zij wat in de komende jaren voor hem het beste zou zijn, het beste bij zijn staat van zijn zou passen.

Zij zagen welke hoogste Gods-idee het ras zou kunnen begrijpen. Deze wijzen hadden de taak de zeven grondstellingen te formuleren, waarop de grote filosofie van leven en eredienst van de komende eeuw moest rusten.

Nu was Meng-ste de oudste wijze. Hij zette zich in de zetel van de voorzitter en zei: De mens is nog niet ver genoeg gevorderd om uit geloof te leven; hij kan de dingen die zijn ogen niet zien, nog niet begrijpen. Hij is nog kind en in de komende eeuw moet hij onderwezen worden door beelden, symbolen, ritualen en vormen.

Zijn god moet een menselijke god zijn, hij kan geen god zien uit geloof. En dan kan hij zichzelf niet regeren; de mens moet dienen. De eeuw die deze volgt, zal de eeuw zijn van de mens, de eeuw van geloof. In die gezegende eeuw zal het menselijke ras zien zonder de hulp van stoffelijke ogen; zal het geluidloze geluid horen; zal de god-geest kennen.

De eeuw die wij nu binnengaan is de eeuw van voorbereiding en alle scholen en besturen en erediensten moeten op eenvoudige wijze ontworpen zijn, opdat de mensen zouden kunnen begrijpen.  De mens heeft uit zichzelf geen ideeën, is niet origineel; hij bouwt volgens patronen die hij ziet; wij moeten dus in deze vergadering een weg uitstippelen, een patroon uitsnijden voor de komende eeuw.

En wij moeten de gnosis van het rijk van de ziel, dat op zeven grondstellingen rust, formuleren. Iedere wijze zal op zijn beurt een grondstelling formuleren. En deze zal de basis zijn van de geloofsbelijdenissen van de mensen totdat de volmaakte eeuw zal komen.

Toen schreef Meng-ste de eerste grondstelling: Alle dingen worden gedacht; het hele leven is denk-activiteit. De duizenden dingen zijn slechts fasen van het ene grote gemanifesteerde denken. Ja, God is gedachte en gedachte is God.

Toen schreef Vidyapatie de tweede grondstelling: Eeuwige gedachte is één; in wezen is zij twee – intelligentie en kracht; en wanneer zij ademen wordt een kind geboren; dit kind is liefde. En aldus treedt de drie-enige God naar voren, die door de mensen Vader-Moeder-Kind  genoemd wordt. De drie-enige God is één, maar evenals het ene licht, is hij in wezen: zeven.

En wanneer de drie-enige God uitademt, zie, zeven geesten staan voor Zijn gelaat. Deze zijn de zeven scheppende eigenschappen. De mensen noemen ze lagere goden, en naar hun eigen beeld schiepen zij de mens.

En Kaspar schreef de derde grondstelling: De mens was een gedachte van God gevormd naar het beeld van de zevengeest, gekleed in de substanties van de ziel. En zijn begeerten waren sterk; hij trachtte ze in ieder levensdomein te openbaren en voor zichzelf maakt hij een lichaam van aardse ethers en zo daalde hij af naar het domein van de aarde.

Bij deze neerdaling verloor hij zijn geboorterecht; verloor hij zijn harmonie met God en maakte alle vormen van leven disharmonisch. Disharmonie en kwaad zijn hetzelfde; daarom is het kwaad het werk van de mens.

Ashbina schreef de vierde grondstelling: Zaden ontkiemen niet in het licht; zij groeien niet tot zij de bodem vinden om zichzelf voor het licht te verbergen. De mens was geëvolueerd tot zaad met eeuwigdurend leven; maar in de ethers van de drie-enige God was het licht veel te sterk voor de zaden en zij konden daarin niet groeien.

En daarom zocht de mens de bodem van stoffelijk levendenen in de duisternis van de aarde vond hij een plek waar hij kon ontkiemen en groeien. Het zaad schoot wortel en groeide voorspoedig. De boom van het menselijk leven rijst op uit de grond van aardse dingen, en langs de wet van de natuur, groeit hij op tot een volmaakte vorm.

Er zijn geen bovennatuurlijke daden van God om de mens vanuit het lichamelijke leven op te heffen tot geestelijke gelukzaligheid; hij groeit zoals de plant groeit en wordt op de gestelde tijd volmaakt. De kwaliteit van de ziel, de reinheid, is het die het voor de mens mogelijk maakt om tot geestelijk leven op te stijgen.

Apollo schreef de vijfde grondstelling: De ziel wordt door vier strijdrossen naar het volmaakte licht getrokken en deze zijn: wil en geloof, naastenliefde en liefde. Wat iemand wil doen, daarvoor heeft hij ook de kracht om te doen. Kennis van deze macht is geloof, en wanneer geloof ontwaakt, begint de ziel haar vlucht.

Een zelfzuchtig geloof voert niet tot het licht. Er is op de weg naar het licht geen eenzame pelgrim. Mensen veroveren slechts hoogten, door anderen te helpen om hoogten te bereiken. Het ros dat de weg naar geestelijk leven leidt, is liefde; is zuivere, onzelfzuchtige liefde.

Matheno schreef  de zesde grondstelling: De universele liefde waarover Apollo spreekt is het kind van wijsheid en van goddelijke wil en God heeft dit kind in het vlees naar de aarde gezonden opdat de mens zou weten. De universele liefde waarvan de wijzen spreken, is Christus. Het grootste mysterie van alle tijden bestaat hierin, dat Christus in het hart leeft.

Christus kan niet leven in de vochtige holen van zinnelijke dingen. De zeven veldslagen moeten gevochten worden; de zeven overwinningen behaald, vóór de zinnelijke dingen, zoals vrees, zelfzucht, aandoeningen en begeerten opzij gezet zijn. Wanneer dit gedaan is, zal de Christus bezit van de ziel nemen; het werk is volbracht en mens en God zijn één.

En Philo schreef de zevende grondstelling: Een volmaakt mens. Hoe zulk een wezen, uit de natuur geboren, voor de troon van de drie-enige God te brengen? Deze volmaaktheid is de hoogste openbaring van het mysterie van leven.

Wanneer al de zinnelijke dingen getransmuteerd zijn in ziel en alle ziele-essenties omgezet zijn in heilige adem en de mens een volmaakte god geworden is, zal het scheppingsdrama beëindigd zijn. En dit is alles. En alle wijzen zeiden: AMEN.

De Eén-Heilige heeft ons een mens gezonden, in staat om, verlicht door de inspanningen van ontelbare jaren, de gedachten van de mensen te leiden. Deze mens, door alle meestergeesten van hemel en aarde goed bevonden, deze man van Gallilea, deze Jezus, hoofd van alle wijzen van de wereld.

Toen legden alle wijzen hun handen op het hoofd van Jezus en zeiden eenstemmig: God zij geloofd.  Want wijsheid, eer, glorie, macht rijkdom, zegen en kracht zijn U, o, Christus, voor eeuwig! En ieder levend wezen zei: AMEN. En daarna waren de wijzen zeven dagen in stilte bijeen.

Bron: Aquarius Evangelie, hoofdstukken 58 en 59

CLICK FOR THE ENGLISH TRANSLATION

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *